Toelichting op de interpretatie van Odyssee 1.32-34


Plaats in de Odyssee

Het exemplum is genomen uit het eerste boek van de Odyssee, direct na de aanroeping van de Muzen waarmee het boek begint. De verteller heeft de situatie geschetst: de Griekse helden zijn alle teruggekeerd van de oorlog tegen Troje, alleen Odysseus is nog ver van huis, gevangen door de nimf Kalypso. De reden daarvoor is de haat van de zeegod Poseidon, die Odysseus het leven zuur maakt omdat hij het oog van de Cycloop Polyfemos (een zoon van Poseidon) heeft doorstoken. Maar terwijl Poseidon in Ethiopië verblijft besluiten de overige goden op de Olympus dat Odysseus naar huis mag; Poseidon moet zich daar maar bij neerleggen. Het hierboven weergegeven citaat is de rede waarmee Zeus het gesprek opent. Het is de eerste redevoering van een godheid in de Odyssee, zodat er reden is om aan te nemen dat de woorden een soort programmatische functie hebben voor het hele werk. Toch wijst het commentaar van Heubeck, West en Hainsworth er terecht op dat de rede allereerst dient om de handeling op gang te brengen (Heubeck, West & Hainsworth 1988, 77). In reactie op de woorden van Zeus brengt Athene het lot van Odysseus ter sprake en pleit bij Zeus voor zijn terugkeer. Met diens toestemming daarvoor wordt het verhaal van Odysseus’ terugkeer in gang gezet. Daarom moeten we aan de rede van Zeus ook niet een te groot programmatisch karakter toekennen.

Tegen fatalisme?

Zeus begint zijn rede met de verzuchting dat mensen de goden tot oorzaak van alles maken: al het kwaad komt bij hen vandaan, zeggen ze. Geïsoleerd genomen kunnen we deze uitspraak opvatten als een vorm van religiekritiek: in reactie op een fatalisme dat alle gebeurtenissen aan de goden toeschrijft wordt hier de nadruk gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van de mens, die vrij is om zelf de fout in te gaan en daarvan dan ook de consequenties moet dragen. Determinisme en vrije wil zullen later een belangrijk thema worden in de polemiek tussen Stoïsche en Platoonse filosofen. Maar hier blijkt uit het vervolg dat Zeus een meer concreet geval op het oog heeft: Aigisthos doodde Agamemnon ondanks de waarschuwingen van de goden; dan zijn de goden niet langer meer verantwoordelijk te houden voor het kwaad dat Aigisthos treft.

Morele strekking

Tegenover het voorbeeld van Aigisthos stelt Athene Odysseus, die onschuldig te lijden heeft onder de wrok van Poseidon. De tegenstelling laat zien dat er in de Odyssee, meer dan in de Ilias, sprake is van een duidelijk onderscheid tussen goede en slechte personages. Wanneer Odysseus uiteindelijk thuis zal komen, zal hij daar een groot aantal vrijers aantreffen die dingen om de gunst van zijn vrouw Penelope. Wanneer Odysseus hen afslacht, is dat een overwinning van het recht: met de goede Odysseus loopt het goed af, en de slechte vrijers gaan ten onder. Het voorbeeld van Aigisthos, dat Zeus hier aanhaalt, lijkt vooruit te grijpen op het lot van de vrijers, die ook gewaarschuwd zijn door de goden, in hun geval door een voorteken van Zeus (Hom. Od. 2.146-176). Wanneer zij dat voorteken in de wind slaan, is hun uiteindelijke ondergang hun welverdiende loon. Het is deze morele strekking die centraal staat in de rede van Zeus.

Theologische reflectie

Niettemin is er op de achtergrond hiervan wel sprake van enige theologische reflectie: goden zijn dan wel machtige wezens, maar we mogen ze niet beschuldigen van kwaad wat we onszelf op de hals gehaald hebben - zeker niet wanneer ze ons daarvoor gewaarschuwd hebben. Zeker: er is kwaad dat ons overkomt vanwege de beslissingen van de goden (denk aan Odysseus, die lijdt onder de wrok van Poseidon), maar er is ook kwaad dat wij zelf veroorzaken, lijden ὑπὲρ μόρον: bovenop datgene wat het lot ons toebedeelt. Is hier dan ook sprake van een zekere vorm van religiekritiek? Dat hangt af van de vraag, of de dichter hier een concrete groep op het oog heeft die meent dat de goden alles determineren, zozeer dat zijzelf geen enkele verantwoordelijkheid dragen voor wat hen overkomt. De tekst geeft ons weinig aanleiding om dat te denken: “This would not be a natural point to introduce unfamiliar ideas, and there is in fact nothing new in Zeus’ moralizing” (Heubeck, West & Hainsworth 1988, 77). Het gaat hier niet om een theodicee, een verdediging van de rechtvaardigheid van het handelen van de goden, maar om een benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van de mensen voor hun handelen (Sarischoulis 2008, 259). Er is dus slechts in zeer impliciete wijze sprake van religiekritiek in dit exemplum.

Voor verantwoording van de gebruikte bronnen en verdere bibliografie klik hier.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki