Voorsokratische filosofen


Terminologie

De benaming ‘voorsokratische filosofen’ is een moderne benaming die verwijst naar filosofen vóór Socrates. Een dergelijke indeling wordt in feite ook al gemaakt door Aristoteles (384-322 v.Chr.) die in zijn eerste, inleidende boek van de Metafysica de geschiedenis van de filosofie tot zijn tijd beschrijft. Hij trekt een duidelijke scheiding tussen de filosofen vóór Plato (983 a 24 – 987 a 28) en Plato zelf (987 a 29 – 988 a 18). Van Plato zegt hij dat deze enerzijds beïnvloed was door die eerdere filosofen, anderzijds door Socrates, die zich, in tegenstelling tot de andere filosofen, richtte op ethische kwesties (987 b 1). Daarmee is ‘voorsokratische filosofen’ niet alleen een chronologische categorie, maar ook een inhoudelijke: het zijn filosofen die de natuur als object van studie hebben, terwijl vanaf Socrates de mens en diens handelen tot thema wordt.

Toch is deze scheiding niet zo strak als Aristoteles suggereert. Xenofanes is bijvoorbeeld niet echt een natuurfilosoof. En de Sofisten, waartoe Sokrates in zekere zin ook behoort, hielden zich veel meer bezig met taal en politiek dan met natuurfilosofie.

Oorsprong

Niettemin begon de filosofie volgens de antieke overlevering met natuurstudie. Thales van Milete geldt unaniem als de eerste filosoof. Hij leefde in de late 7e en eerste helft van de 6e eeuw v.Chr. in Milete, een stad in Ionië (de westkust van het huidige Turkije). Deze stad maakte in deze tijd een bloeiperiode mee en stichtte veel overzeese kolonieën. Deze verbreding van de horizon en de noodzaak voor goede navigatiemethodes bracht met zich mee dat men de natuur, met name de sterrenkunde, op wetmatigheden ging onderzoeken. Thales schijnt een wereldkaart gemaakt te hebben en zich bezig gehouden te hebben met astronomie en geometrie. In het licht hiervan past ook de overlevering, dat hij water tot oerprincipe aannam, en dat de aarde als een blok hout op het water dreef. Deze leerstelling maakte hem voor Aristoteles tot de eerste filosoof. Daarbuiten is er echter zeer weinig van zijn leven en gedachtegoed bekend.

In zijn spoor werkten Anaximander en Anaximenes, eveneens in Ionië. Zij worden daarom samen met Thales de Ionische natuurfilosofen genoemd. Van hen is niet bekend dat ze veel kritiek hebben geuit op de Griekse godsdienst, maar hun natuurlijke verklaringen voor indrukwekkende fenomenen als zonsverduisteringen en aardbevingen zullen een zekere ontmythologisering wel in de hand gewerkt hebben. Expliciete kritiek op de traditionele mythen wordt voor het eerst grijpbaar bij Xenofanes (ca. 570-475), die tegenover de mythische godsbeelden één ‘grootste god’ stelt die transcendent is en in niets op de mensen lijkt. Xenofanes kwam eveneens uit Ionië, maar werkte het grootste deel van zijn leven op Sicilië. Omstreeks dezelfde tijd emigreerde Pythagoras vanuit het ionische eiland Samos naar een Griekse kolonie in Zuid-Italië, waar hij een kring van volgelingen om zich heen verzamelde. Deze groepering vormde een heel eigen religie waarin reïncarnatie en reinheid een belangrijke rol speelden. Het is echter zeer moeilijk om precies na te gaan wat Pythagoras en de vroege Pythagoreeërs leerden: ze hebben zelf geen schriften nagelaten en latere antieke auteurs zijn in hun beschrijvingen beïnvloed door legendevorming en door latere ontwikkelingen onder de Pythagoreeërs, die door hen toegeschreven werden aan Pythagoras zelf. Eveneens in Zuid-Italië werkten Parmenides en Zeno van Elea, bekend vanwege hun concentratie op het onveranderlijke zijn dat ten grondslag ligt aan alle veranderlijkheid van de waarneembare wereld. Hun tegenpool is Herakleitos, werkzaam in Efeze, bekend vanwege de uitspraak dat ‘alles stroomt’: alles is continu in verandering.

Athene

In Athene begon de filosofie in de 5e eeuw, met de komst van Anaxagoras uit Ionië naar Athene. Athene maakte in die tijd een grote bloeitijd door: na het verslaan van de Perzen in 478 v.Chr. ontwikkelde de stadsstaat Athene zich geleidelijk aan tot een leidende positie in Griekenland, tot aan de Peloponnesische oorlog (431-404 v.Chr.), waarin een alliantie onder leiding van Sparta Athene versloeg en voor korte tijd een dictatoriale oligarchie wist in te stellen. Tijdens de bloeiperiode was Athene echter een directe democratie, waarin overtuigend spreken opeens van politiek belang was geworden. Dit bracht de opkomst van de sofisten met zich mee, waar ook filosofen als Sokrates en Plato niet helemaal los van staan. Er was echter ook weerstand tegen alle vernieuwingen, en een aantal filosofen werd aangeklaagd wegens gebrek aan eerbied voor de goden (asebeia, zie het exemplum van de aanklacht tegen Anaxagoras. Ploutarchos (40-120 n.Chr.) schrijft: “Men duldde de natuurfilosofen en de zogenoemde ‘hemelschouwers’ niet, omdat ze het goddelijke verspilden in irrationele oorzaken, wilde krachten en gedetermineerde lotgevallen. Zelfs Protagoras werd verjaagd, Anaxagoras kon slechts ternauwernood door Perikles van gevangenschap gered worden en Sokrates, die met deze dingen niets te maken had, ging evengoed ten onder aan de filosofie. Pas de glanzende roem van Plato kon de slechte reputatie van dit soort theorieën wegnemen, zowel door de levenswijze van de man als doordat hij de natuurwetten ondergeschikt maakte aan de goddelijke en meer soevereine beginselen. Zo opende hij voor de leerstellingen een weg die voor iedereen acceptabel was.” (Ploutarchos, Nikias 23.3-4; eigen vertaling).
Inderdaad lijkt vanaf Plato de filosofie geleidelijk een meer geaccepteerde plaats in de samenleving te verwerven; over asebeia-processen horen we niet meer. Niettemin blijft het gedachtegoed van de voorsokratische filosofen en sofisten doorwerken in de religiekritiek van de oudheid en ver daar voorbij.

Voor verantwoording van de gebruikte bronnen en verdere bibliografie klik hier.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki