Het bedrog van de priester (Voltaire)

In het kort

Wie? Voltaire (21 november 1694--30 mei 1778)

Waar en wanneer?
Periode: Verlichting.
Context: X

Hoe?
Medium: Geschrift.
Positionering: Interne religiekritiek.
Stijlmiddel(en): X.
Genre: Privaat, Algemeen.

Wat?
Voorwerp van kritiek: Ambtsbekleders.
Doel van de kritiek: Verwerping.
Grond(en) van kritiek: X.



En wat betekent zo’n priester […] nu helemaal, zo’n rondtrekkende castraat die leeft van jouw zwakheden, dat hij zich opwerpt als middelaar tussen de hemel en jou?

lemma ‘Bijgeloof’, p. 97

Over Voltaire’s kritiek op het priesterschap
Veel moderne religiekritiek richt zich tegen priesters en hun kwalijke rol in het opleggen van praktijken en denkbeelden die niet wezenlijk zijn voor de godsdienst. Voltaire laat in bovenstaand fragment zien dat eerbied voor de priester niet nodig is. In het in 1764 verschenen Filosofisch woordenboek trekt hij meermaals ten strijde tegen de priesterklasse. Voltaire (pseudoniem van François-Marie Arouet, 1694-1778) was een vooraanstaande Franse schrijver en filosoof ten tijde van de Verlichting. Zijn oeuvre is zeer omvangrijk en bevat naast filosofische teksten ook verhalen, essays en kritische brieven. Een van zijn bekende werken is het prozaverhaal Candide (1759) waarin hij kritiek uitte op het optimisme, de theologische en filosofische leer van Gottfried Leibniz. Een ander bekend werk is het Filosofisch woordenboek (1764), waaruit dit voorbeeld afkomstig is.

Analyse
Voltaire schrijft in het lemma ‘Bijgeloof’ kritisch over de bemiddelende rol die priesters zich aanmeten, die hij "charlatans" (p. 97) en "rebellen tegen God en de mensen" (p. 429) noemt. Maar niet alle priesters zijn charlatans in de ogen van Voltaire. Sommigen zien in dat hun rol zich beperkt tot die van een zielenarts of leraar in de ware christelijkheid. De priesters die zich echter bezighouden met aardse aangelegenheden en die macht, rijkdom of rechterlijke invloed vergaren, hebben zich afgekeerd van het rechte pad dat priesters dienen te volgen.
In het Filosofisch woordenboek wordt op veel plekken de strijd aangebonden met het bijgeloof. Volgens Voltaire vallen zaken als dogmatiek, theologische waandenkbeelden en dweperij onder bijgeloof. In feite iedere leerstelling over God, Jezus Christus of enig ander religieus onderwerp dat niet behoort tot de kern van de leer van Christus (‘geloof in één Schepper’ en ‘houdt van uw naaste zoals u van uzelf houdt’) en tegen de rede indruist, valt onder bijgeloof. Zelfs de stelling dat Jezus de zoon van God is, evenals iedere erkenning van de paus als de vertegenwoordig van God op aarde, en iedere leerstelling over de kerk als enige mogelijkheid tot verlossing – het is allemaal niet wezenlijk voor de religie.
Hoewel Voltaire vele religieuze zaken als bijgeloof beschouwt, is hij wel een gelovig man. Zijn geloof is deïstisch, dat wil zeggen dat hij God ziet als horlogemaker die het universum als klok heeft geschapen en in beweging heeft gebracht, waarna deze zichzelf blijft voortbewegen. Vanuit deze visie ziet hij Gods invloed op het menselijke bestaan als tamelijk gering. Voltaire's kritiek in bovenstaand citaat is dan ook niet gericht op religie als zodanig, maar eerder op de invulling hiervan door verschillende clerici. Zij raken met hun invulling van het geloof van het juiste pad (namelijk van het deïsme). In hun invulling van het geloof is God niet meer te ontdekken.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki