Verminkt: de Heilige Drievuldigheid

In het kort

Kritiek op religie neemt soms de vorm aan van geweld tegen afbeeldingen of objecten. De Beeldenstorm die in de Nederlanden woedde in het midden van de zestiende eeuw is hiervan een voorbeeld: in naam van God worden afbeeldingen van het Goddelijke vernield. In dit voorbeeld gaat het om de gezichten van figuren in een voorstelling van de Heilige Drievuldigheid.



Epitaaf met Heilige Drievuldigheid
Afb. 1: Arnt van Tricht, Epitaaf met Heilige Drievuldigheid, 1548, gepolychromeerd zandsteen, 89 x 85 x 10 cm, Amsterdam, Rijksmuseum. Bron: Rijksmuseum.

Over de Heilige Drievuldigheid van Arnt van Tricht
De Nederlandse beeldhouwer Arnt van Tricht (1535-1570) vestigde zich omstreeks 1530 in de Duitse stad Kalkar. Hier was hij werkzaam tot aan zijn dood. Hij maakte het Epitaaf met Heilige Drievuldigheid dat vandaag de dag in het Rijksmuseum te bezichtigen is. Bovenstaande afbeelding toont het epitaaf, oftewel een rechtopstaande grafmonument, afkomstig uit de Grote Kerk van Wageningen. Dit wandreliëf verbeeldt de Heilige Drievuldigheid of Drie-eenheid, in de vorm van de tronende Vader die de Zoon met stigmata in zijn armen houdt en de Heilige Geest als duif met gespreide vleugels. De Triniteit wordt geflankeerd door twee vrouwelijke figuren die de mantel van God de Vader dragen. Onder deze scene zijn de opdrachtgevers van het epitaaf te zien, de familie Ros: vader en zoon links, moeder en dochter rechts.

Analyse
Het Epitaaf met Heilige Drievuldigheid is één van de vele voorbeelden van beeldhouwwerken die protestanten ten tijde van de Beeldenstorm aanvielen. In november of december 1578 werd het wandreliëf verminkt door het weghakken van gezichten. Soortgelijke voorbeelden zijn het Annaretabel (ca. 1500) in de Utrechtse Domkerk, en het timpaan met ‘Het Laatste Oordeel’ boven de ingang van de Sint-Stevenskerk te Nijmegen. Ook in de Grote Kerk van Breda zijn nog talrijke voorbeelden te vinden. Kennelijk werden dergelijke beeldhouwwerken zo gewaardeerd dat ze tot op de dag van vandaag bewaard zijn gebleven, ondanks de verminkingen.
Van de zestiende-eeuwse protestanten is welbekend dat zij allerhande heiligenbeelden geheel of gedeeltelijk vernielden tijdens de beeldenstormen die vanaf 1566 in de Nederlanden woedden. Zij baseerden zich op één van de tien geboden, namelijk: ‘Gij zult geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is’. De goddelijke of hemelse werkelijkheid moet men zien als iets oorspronkelijks. Een stoffelijke afbeelding verbindt het hemelse met het aardse: een bezoedeling van wat heilig of onaantastbaar is. Eveneens zouden ergernis aan de rijkdom binnen kerkgebouwen en sociale ontevredenheid belangrijke motieven zijn geweest. Waarom uitgerekend de gezichten van zowel beeldhouwwerken als schilderijen werden aangevallen, is niet met zekerheid te zeggen. Wel is het een fenomeen dat voorkomt binnen verscheidene geloofsovertuigingen en geografische gebieden. Vermoedelijk werd op deze manier de figuur ontdaan van zijn identiteit en zodoende het beeld van zijn aantrekkingskracht.

There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki