Nieuwe soorten van theologie (Plato)

In het kort

Wie? Plato (428/427 of 424/423 voj--348/347 voj)

Waar en wanneer?
Periode: Oudheid.
Context: vraag naar de juiste inrichting van de staat

Hoe?
Medium: geschrift.
Positionering: interne religiekritiek.
Stijlmiddel(en): dialektiek.
Genre: wijsgerige dialoog.

Wat?
Voorwerp van kritiek: atheïsme.
Doel van de kritiek: politieke noodzaak van godsdienst.
Grond(en) van kritiek: X.



“– Adimantus, jij noch ik zijn op dit moment dichters, maar we zijn bezig een staat te stichten. En als stichters behoren we wel de modellen te kennen, waarnaar de dichters hun verhalen moeten opstellen, en waarvan we hen niet mogen laten afwijken. Maar de verhalen zelf te dichten, dat is onze taak niet. – Zeer juist, gaf hij toe. Maar dat is nu de vraag: wat zijn de modellen, waarnaar men de godenleer [tupoi peri theologias] dient op te stellen? – Ongeveer als volgt, zei ik. Men moet god voorstellen zoals hij is, altijd, evengoed in een epos als in een lyrisch gedicht of in een treurspel.”

Bron: Plato, De staat, 379a, vertaald door Xaveer de Win, Pelckmans/Agora, Kapellen/Baarn 1999.

Over Plato’s idee van de rol van theologie
Plato (vermoedelijk 427-347 v.Chr.) is de eerste filosoof van wie veel geschriften zijn overgeleverd. Zijn teksten zijn grotendeels opgetekende dialogen rond de hoofdfiguur van Sokrates, een illustere wijsgeer die als publiek persoon optrad in Athene en in 399 v.Chr. ter dood werd veroordeeld vanwege vermeende religiekritiek. Plato maakt van Sokrates iemand die de denkbeelden van zijn medeburgers kritisch onderzoekt en langs deze weg tot een dieper inzicht in de werkelijkheid komt. Plato benadrukt in deze dialogen dat een samenleving – zoals alles in de wereld – moet berusten op ideeën en alleen tot volmaaktheid komt wanneer deze ideeën in de samenleving worden uitgedragen en verwerkelijkt door kundige leiders, en het liefst filosofen. Deze idealistische politieke filosofie noopt Plato om een lans te breken voor de godsdienst als belangrijk onderdeel van de inrichting van een staat of polis.
Plato is niet gelukkig met de wijze waarop in zijn omgeving over de goden wordt gesproken – en vooral niet met de verhalen die aan kinderen worden verteld in hun opvoeding. De godenverhalen van Homeros en Hesiodos, gemeengoed in Plato’s tijd, zijn geen geschikte voorbeelden voor de burgers – ze roepen op tot onenigheid, bedrog, verraad en ander asociaal gedrag. Plato is – voor zover bekend – de eerste die het begrip ‘theologie’ gebruikt en wel in bovenstaand citaat: tupoi peri theologias. In veel teksten uit de Oudheid worden de dichters als theologoi onderscheiden van de philosophoi of physiologoi: zij die over de goden spreken en zij die wijsheid begeren en over de natuur spreken. (Overigens komt veel van wat de filosofen destijds schreven veel dichter bij wat wij vandaag onder theologie zouden verstaan.) Plato pleit voor bepaalde modellen of patronen (tupoi) waar de dichters in zijn staat zich aan moeten houden wanneer ze over de goden spreken (theologia = spreken over de goden): dat goden goed zijn en niet de oorzaak van het kwaad; en dat goden zich niet anders voordoen dan ze zijn maar onveranderlijk volmaakt zijn.

Analyse
In Plato’s dialoog Politeia is Sokrates in gesprek met enkele vrienden over de vraag wat rechtvaardigheid is. Ze komen al snel tot de slotsom dat men deze vraag alleen kan beantwoorden door naar de samenleving als geheel te kijken. Hoe moet een rechtvaardige samenleving worden ingericht en bestuurd? Veel hangt volgens Sokrates af van de opvoeding, vooral die van de bewakers en bestuurders van de samenleving. De opvoeders moeten zich erop toeleggen de ziel van kinderen op de juiste manier te vormen. Welke voorbeelden krijgen zij voorgeschoteld in de verhalen die hen vanaf de vroege jeugd worden ingeprent? De gangbare verhalen over de goden leren kinderen vooral onrechtvaardig te zijn. Maken de goden er immers niet een grote puinhoop van? De dichtkunst kan in een rechtvaardige samenleving niet vrij zijn. De dichters moeten zich richten naar bepaalde theologische maatstaven, die de jeugd en daarmee de latere politiek verantwoordelijke burgers een waarachtiger beeld geeft van de goden naar wie men zich moet richten. Vandaag zouden we wellicht zeggen: Sokrates pleit voor een vorm van ‘politieke correctheid’.
Dat betekent uiteraard ook dat de godendienst en het spreken over de goden in een rechtvaardige samenleving aan banden moet worden gelegd. Niet alleen de goddeloosheid moet worden bestreden (zie De vloek van het atheïsme), maar – wat op hetzelfde neerkomt – ook de afgoderij: de valse voorstelling van de goden. Religie moet beoordeeld worden vanuit een functioneel gezichtspunt: wat is nuttig of schadelijk voor de staat? Weliswaar meent Plato dat een waarachtig begrip van god inhoudt dat god de oorzaak is van het goede en bovendien een wezen dat eeuwig dezelfde blijft en dus niet van gedaante kan veranderen, hij lijkt dit vooral te zeggen met het oog op het stichten van een rechtvaardige samenleving. Er moet een eeuwige maatstaf voor rechtvaardigheid bestaan om de samenleving haar bestendigheid te geven. De tekst speelt een dubbelzinnig spel met de verwijzing naar wat waar en wat maatschappelijk nuttig is. Leugens kunnen soms nuttig zijn, dat wil zeggen het kan soms noodzakelijk zijn wat niet waar is voor waarheid uit te geven (382c). Het spreken over god staat dan eenvoudigweg voor het idee van rechtvaardigheid zelf: god is de maat van de samenleving. Theologie is de orthodoxie (de juiste leer) en daarmee de grondslag van een samenleving: datgene waarover burgers in een samenleving het allemaal eens moeten zijn. De prijs voor rechtvaardigheid is dan wel het verlies van de vrijheid van godsdienst en van het dichterlijke spreken over de goden.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki