Over het begrip van God (Spinoza)

In het kort

De mensheid kan een gemeenschappelijke godsdienst aanhangen wanneer mensen de moeite zouden nemen hun eigen geest goed te onderzoeken en daarin God te ontdekken. Spinoza’s religiekritiek wijst de oorzaken aan waarom er zoveel onenigheid bestaat over de godsdienst. Benedictus de Spinoza (1632-1677) schreef in het relatief tolerante Holland van de zeventiende eeuw een vrijmoedig pleidooi voor godsdienstvrijheid en een levenswijze die uitgaat van het vermogen van de mens zelf te denken. Een juist begrip van God is volgens Spinoza mogelijk. Dat is een grondslag voor religiekritiek.



De menselijke geest heeft adequate kennis van het eeuwige en oneindige wezen van God.

Bron: Benedictus de Spinoza, Ethica, Boek 2, Stelling 47, in de vertaling van Henri Krop, Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 2002, blzn.206-207.

Over Spinoza en zijn beroemdste werk Ethica
Spinoza (1632-1677) is geboren en opgevoed in de joodse gemeenschap in Amsterdam en was voorbestemd om samen met zijn broer de scheepshandel van zijn vader over te nemen. Hij hield het echter snel voor gezien als scheepshandelaar. In 1656 werd hij verbannen uit de Joodse gemeenschap (de redenen zijn niet helemaal duidelijk) en verloor hij al zijn sociale contacten in de gemeenschap. Hij bouwde een nieuwe vriendenkring op van vrijzinnige protestanten met belangstelling voor de nieuwe wijsbegeerte en voorzag in zijn behoeften door het slijpen van lenzen voor wetenschappelijke instrumenten (en wellicht door giften van zijn vrienden). Spinoza was het intellectuele centrum van die kring, waarin de tradities van de openbaringstheologie werden verbonden met het cartesiaanse denken en humanistische idealen. In het vroege werk is Spinoza vooral geïnteresseerd in de zuivering van het godsbegrip van onheldere voorstellingen en daarmee ook in de zuivering van het denken. Spinoza verwachtte dat een dergelijke zuivering heilzaam is voor de mens. Deze gedachten vormen uiteindelijk de kern van Spinoza's beroemdste werk, de Ethica.

Analyse
Deze stelling geeft de kern weer van Spinoza’s religiekritiek: de maatstaf van een kritische beoordeling van de godsvoorstellingen die in de godsdiensten een rol spelen is in elke mens aanwezig. De Ethica is een poging deze maatstaf te expliciteren en daarmee ook aan te geven waarin mensen zich vergissen in hun persoonlijke begrip van God. Spinoza meent dat alle mensen een zelfde begrip van God gemeen hebben, maar omdat dit gemeenschappelijke begrip pas te voorschijn komt na zorgvuldig onderzoek, ontstaan er verschillen van mening en gewelddadige onenigheid over God. De godsdiensttwisten kunnen overwonnen worden zodra mensen dit gemeenschappelijke inzicht in God hebben verworven.
De aangehaalde stelling van Spinoza betekent dat ieder mens in zijn geestelijke activiteiten weet heeft van God, maar houdt niet in dat alles wat mensen over God denken, zeggen of schrijven deugt. Het weet hebben is aanwezig in de menselijke geest, maar behoeft geenszins te blijken uit de feitelijke gedachten of uitspraken van mensen. In Spinoza’s opvatting is de mens een deel van de goddelijke werkelijkheid (oftewel: de natuur), zowel naar lichaam als naar geest. Daarom ook moet die geest voorover ze zichzelf kent ook die goddelijke werkelijkheid kennen.
Echter als deel van God heeft ook de eindigheid van het menselijke bestaan invloed. De stroom van gedachten die het geestelijk leven van de mens uitmaakt (wat we zoal waarnemen in ons leven, wat we daarbij voelen, onze herinneringen en associaties enzovoort) is immers gebonden aan dit lichaam in deze omstandigheden. Mijn geest is vervuld met wat ik op dit moment meemaak, aangezien mijn geest niets anders is dan de idee van mijn lichaam (en jouw geest de idee van jouw lichaam). De geest is daarmee een samenkomen van waarnemingen (de wijzigingen die mijn lichaam ondergaat door de inwerking van dingen buiten mijn lichaam), van waarnemingen van die waarnemingen (ik weet dat ik iets waarneem), daaraan gekoppelde gevoelens en herinneringen. Dat alles loopt door elkaar en is dus verward, zoals een verzameling getallen die ik voorgelegd krijg met de opdracht er een verband tussen te vinden. Het deel zijn van de substantie of God betekent dus twee dingen voor Spinoza. Aan de ene kant is er de mogelijkheid van adequate kennis (de orde van de dingen en ideeën bestaat en is dus aanwezig), aan de andere kant beschikken we over een verwarde en dus inadequate verzameling van geestelijke ervaringen waaruit we proberen wijs te worden.
Een grondig onderzoek van al deze verwarde ideeën leidt ons uiteindelijk tot een waarachtig begrip. Dat laatste geeft ons gemoedsrust. Dat is één kant van Spinoza’s ethiek. Maar ook de samenleving is gebaat bij deze ontwikkeling van kennis. Zolang mensen immers de gehele werkelijkheid opvatten op grond van wat ze zelf meemaken en elkaar wijsmaken, zullen ze van mening verschillen over de wereld waarin ze leven. Het samenleven zal één groot misverstand blijven, met alle kwalijke gevolgen van dien, zolang mensen hun denken niet zuiveren van hun meningen en komen tot een adequaat begrip van God. Alleen dat laatste biedt uitzicht op een vreedzame en leefbare maatschappij (zie het lemma “Spinoza over religie”). In principe kan ieder mens volgens Spinoza dus beschikken over ware kennis over God. Alle mensen delen hetzelfde idee van God dat tot stand komt na zorgvuldig onderzoek. De persoonlijke beelden die mensen over God kunnen hebben, zijn slechts een verbeelding die ontkracht zal worden op het moment dat ze hun persoonlijke meningen kritisch onderzoeken en inzien wat de dingen die ze dagelijks ervaren gemeenschappelijk hebben.

Oorspronkelijke tekst:
Mens humana adaequatam habet cognitionem aeternae, et infinitae essentiae Dei.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki