Definitie van religie (Spinoza)

In het kort

Religiekritiek kan zich voordoen als een verdediging of zelfs een toe-eigening van het begrip religie. Spinoza’s definitie van religie is een voorbeeld daarvan. Benedictus de Spinoza (1632-1677) schreef in het relatief tolerante Holland van de zeventiende eeuw een vrijmoedig pleidooi voor godsdienstvrijheid en een levenswijze die uitgaat van het vermogen van de mens zelf te denken. Dat is niet in strijd maar juist uiting van religie. Het gevolg van deze nieuwe definitie van religie is dat vele vormen van religie dan afwijkingen, vervormingen of zelfs ontkenningen zijn van waar het in de religie eigenlijk om gaat.



Al wat wij wensen en doen en waarvan wij zelf oorzaak zijn voorzover wij een voorstelling van God hebben, of voorzover wij God kennen, reken ik tot de godsdienst.

Ethica, Deel IV, Stelling 37, Opmerking I (in de vertaling van Nico van Suchtelen, Wereldbibliotheek, Amsterdam 1979)

Over Spinoza’s opvatting van godsdienst
Spinoza (1632-1677) was een geleerde en wijsgeer in het Holland van de Gouden Eeuw. In 1656 werd hij verbannen uit de Joodse gemeenschap in Amsterdam, waar hij was geboren en opgegroeid. Betrouwbare gegevens ontbreken weliswaar, maar men vermoedt dat Spinoza’s eigenzinnige gedrag zowel in sociaal-economisch als in levensbeschouwelijk opzicht de aanleiding is geweest voor de geestelijke leiders hem uit te stoten. Spinoza’s beroemdste werk is de Ethica, waarin Spinoza de vraag stelt of de mens zijn eigen leven kan sturen, en zo ja, onder welke voorwaarden hij zich tot een vrij en zelfstandig mens kan ontwikkelen. Spinoza staat bekend om zijn (voor die tijd) vergaande bijbel- en religiekritiek, maar in zijn filosofisch hoofdwerk geeft hij aan zijn eigen omschrijving van religie een positieve betekenis. Kennis van God die beantwoordt aan de maatstaf van redelijkheid bevordert de sociale cohesie. De samenleving wint erbij als redelijkheid en godsdienst in hun samenhang bevorderd worden. Deze positieve kant heeft uiteraard een keerzijde: religie die zozeer met de redelijkheid in strijd is dat ze de samenleving ernstig verstoort dient geweerd te worden. Dat geldt vooral voor sektarische en dus intolerante vormen van religie.
Waarom wijst Spinoza religie niet af gegeven zijn kritiek? De reden is dat Spinoza meent dat geen mens volledig in onwaarheid leeft. Alles wat mensen zich voorstellen, hoe bizar ook, en alle consequenties die mensen uit die voorstellingen trekken, bevatten waarheid. De waarheid is echter vertroebeld omdat mensen van alles en nog wat door elkaar halen en met elkaar associëren. Kennis van God is dan inadequaat, niet onwaar. Wanneer men de elementen maar op de juiste wijze met elkaar in verband zet, ontstaat een adequaat begrip van God. Wie God naar waarheid begrijpt, zal ontdekken dat hij eigenlijk de werkelijkheid zelf (de Natuur) begrijpt. Religie is daarmee zowel datgene wat alle mensen met elkaar verbindt omdat in ieder mens God aanwezig is, als datgene wat mensen verdeelt omdat mensen hun eigen voorstelling van God voor de enige ware houden.

Analyse
In bovenstaande tekst geeft Spinoza enerzijds een zeer ruime omschrijving van godsdienst, maar anderzijds valt niet alles wat mensen doorgaans religie noemen daarbinnen. Allereerst moet de wens of de handeling uit ons zelf voortkomen: wensen en handelen in opdracht of onder dwang vallen erbuiten. Voorts moet die wens of die daad voortvloeien uit onze idee of zelfs onze kennis van God. Dit laatste kan men ook als uiterst beperkend lezen aangezien Spinoza ervan uitgaat dat de meeste mensen geen adequaat idee van God hebben en God niet naar waarheid kennen. De meeste godsvoorstellingen komen voort uit verbeelding, zoals het toekennen van menselijke eigenschappen aan God (antropomorfisme). Spinoza geeft hier dus eigenlijk een hoogstaande, intellectueel ingevulde omschrijving van godsdienst. Deze past in de gedachte die in stelling 37 wordt geuit: naarmate we meer kennis van God hebben, wensen wij andere mensen het goede leven toe dat mogelijk is op grond van die kennis. Waarachtige kennis van God is heilzaam. Spinoza meent dus dat de sociale cohesie zal toenemen naarmate meer mensen aan bovenstaande opvatting van godsdienst voldoen (en minder mensen zich door hun verbeelding laten leiden). Een gebrekkig of inadequaat begrip van God komt voort uit de affectieve wijze waarop mensen naar de wereld kijken. Het feit dat mensen affectief nogal verschillen (en ieder mens affectief voortdurend anders is), is volgens Spinoza de oorzaak van de onenigheid op godsdienstig vlak. Berust godsdienst op een adequaat begrip van God, gevoed door een redelijke beschouwing van de wereld, dan biedt zij een mogelijkheid tot emancipatie en sociale vooruitgang.

Oorspronkelijke tekst:
Porrò quicquid cupimus, & agimus, cujus causa sumus, quatenus Dei habemus ideam, sive quatenus Deum cognoscimus, ad Religionem refero.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki