De angst voor de goden (Sysifos Fragment)

In het kort

Het argument dat de goden enkel verzonnen zijn om ervoor te zorgen dat mensen zich aan de regels houden stamt uit de klassieke oudheid. Wanneer dit argument echter geopperd wordt door de hoofdrolspeler uit een satyrspel uit de vijfde eeuw v.Chr. is de betekenis ervan niet eenvoudig te duiden. Wijst dit oordeel over de godendienst op een verwerpelijke of juiste een heilzame leugen?



Ooit was het leven van de mensen ongeordend, dierlijk en onderworpen aan brute kracht, was er geen enkele prijs voor goede mensen, en ook geen straf voor slechte mensen. Toen, denk ik, stelden de mensen wetten op voor straffen, opdat het recht alleenheerser zou zijn en de hoogmoed als slaaf zou hebben. Wie de fout inging, zou gestraft worden. Maar omdat de wetten hen afhielden van openlijke daden van geweld, begonnen ze die toen in het geheim te doen. Daarop, denk ik, vond een zekere verstandige en intelligente mens voor de mensen de angst voor de goden uit, opdat er een schrikbeeld zou zijn voor slechte mensen, ook als ze in het geheim iets zouden doen, zeggen of denken. Daarom voerde hij dus het goddelijke in, hij zei: “Er is een goddelijke macht, vol van onvergankelijk leven, die met zijn geest hoort en ziet, inzicht heeft in en toeziet op alle dingen. Hij draagt een goddelijke natuur, en is in staat alles te horen wat de mensen zeggen, en alles te zien wat ze doen. Als je in stilte iets slechts beraamt, is dat niet verborgen voor de goden; want het bedenken is in hun macht.” Met dergelijke woorden voerde hij de meest welkome leerstelling in, door met zijn betoog de waarheid door de leugen te verbergen.

Bron: Kritias fr. 19 (Snell), in M. Davies, “Sisyphus and the Invention of Religion”, Bulletin of the Institute of Classical Studies of the Univ. of London, 36 (1989), blzn.16-32 (Griekse tekst is daar te vinden; vertaling van Arco den Heijer).

Over Sisyfos
Sisyfos was het hoofdpersonage uit het gelijknamige 5e eeuwse satyrspel. Satyrspelen werden opgevoerd tijdens het grote toneelfestival ter ere van Dionysos. Ze vormden een luchtige afsluiting van de dag, na de opvoering van drie tragedies. Motieven van bedrog en verleiding speelden een grote rol. Helaas is het satyrspel waar dit fragment een deel van is, verloren gegaan; maar we weten wel dat het fragment waarschijnlijk gesproken werd door de hoofdpersoon van het stuk, Sisyfos. Sisyfos gold als de spreekwoordelijke bedrieger, die vooral bekend is geworden voor de straf die hij voor zijn bedrog heeft gekregen: in de onderwereld mag hij voor altijd een rotsblok omhoog rollen. Is hij bijna boven, dan rolt het rotsblok weer naar beneden en begint hij weer opnieuw.

Analyse
Goden zijn een uitvinding van mensen om hen aan de wetten te laten gehoorzamen. Met die stelling behoort dit fragment, afkomstig uit een satyrspel uit het vijfde eeuwse Athene, zeker tot de meer fundamentele religiekritiek uit de oudheid. Maar het heeft iets paradoxaals: men kan moeilijk zeggen dat het leven vóór de uitvinding van de goden zoveel beter was. Door de goden uit te vinden is de mensheid van een gewelddadige wanorde naar een leefbare samenleving ontwikkeld.
De clou voor het begrijpen van deze paradox ligt misschien wel in de context: het fragment is onderdeel van het satyrspel Sisyfos. Waarom ontmaskert juist Sisyfos de leugen die de samenleving leefbaar maakt? Misschien om zelf aan de straf voor zijn bedrog te ontkomen? In dat geval zal dit fragment eerder bedoeld zijn geweest om verontwaardiging op te roepen dan instemming. Het is dan eerder kritisch op religiekritiek dan op religie als zodanig. Dat neemt niet weg dat het idee, dat de goden wel eens met het oog op de wetshandhaving zouden kunnen zijn uitgevonden, dan toch maar geopperd is. Dat idee behelst een zeer fundamentele en tot op de dag van vandaag veel gehoorde kritiek op religie.

Oorspronkelijke tekst:
ἦν χρόνος ὅτ’ ἦν ἄτακτος ἀνθρώπων βίος καὶ θηριώδης ἰσχύος θ’ ὑπηρέτης, ὅτ’ οὐδὲν ἆθλον οὔτε τοῖς ἐσθλοῖσιν ἦν οὔτ’ αὖ κόλασμα τοῖς κακοῖς ἐγίγνετο. κἄπειτά μοι δοκοῦσιν ἅνθρωποι νόμους θέσθαι κολαστάς, ἵνα δίκη τύραννος ᾖ < … > τήν θ’ ὕβριν δούλην ἔχῃ•
ἐζημιοῦτο δ’ εἴ τις ἐξαμαρτάνοι. ἔπειτ’ ἐπειδὴ τἀμφανῆ μὲν οἱ νόμοι ἀπεῖργον αὐτοὺς ἔργα μὴ πράσσειν βίᾳ, λάθρᾳ δ’ ἔπρασσον, τηνικαῦτά μοι δοκεῖ < … > πυκνός τις καὶ σοφὸς γνώμην ἀνήρ <θεῶν> δέος θνητοῖσιν ἐξευρεῖν, ὅπως εἴη τι δεῖμα τοῖς κακοῖσι, κἂν λάθρᾳ πράσσωσιν ἢ λέγωσιν ἢ φρονῶσί <τι>. ἐντεῦθεν οὖν τὸ θεῖον εἰσηγήσατο, ὡς ἔστι δαίμων ἀφθίτῳ θάλλων βίῳ νόῳ τ’ ἀκούων καὶ βλέπων, φρονῶν τε καί προσέχων τε ταῦτα καὶ φύσιν θείαν φορῶν, ὃς πᾶν {μὲν} τὸ λεχθὲν ἐν βροτοῖς ἀκού<σ>εται, <τὸ> δρώμενον δὲ πᾶν ἰδεῖν δυνήσεται. ἐὰν δὲ σὺν σιγῇ τι βουλεύῃς κακόν, τοῦτ’ οὐχὶ λήσει τοὺς θεούς• τὸ γὰρ φρονοῦν ἔνεστι. τ<οιούτ>ους δὲ τοὺς λόγους λέγων διδαγμάτων ἥδιστον εἰσηγήσατο ψευδεῖ καλύψας τὴν ἀλήθειαν λόγῳ.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki