Het verbod op godslastering (Hans Engels)

In het kort

Het debat over de afschaffing van de wet die godslastering verbiedt is van betekenis aangezien het de stijlen van religiekritiek betreft die een maatschappij (on)wenselijk acht. Schaft men het verbod af, dan mag iedere burger God lasteren - ongeacht of hij of zij daarmee gelovigen kwetst. Ogenschijnlijk gaat het over het gelijkheidsbeginsel, maar in feite gaat het over de vraag of er grenzen zijn aan de uiting van meningen en oordelen door burgers.



‘Het uitgangspunt van de D66-fractie bij de beoordeling van dit wetsvoorstel is in de kern dat de vrijheid van godsdienst niet het recht omvat op een geprivilegieerde positie voor en behandeling van religie en religieuze opvattingen.’

Bron: Hans Engels (D66) tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel om het verbod op Godslastering op te heffen (26 november 2013).

Over de verwerping van een verbod op godslastering
Hans Engels (1951) is sinds 7 september 2004 lid van de D66-fractie in de Eerste Kamer. Hij is sinds 7 juni 2011 vice-fractievoorzitter. Hij was van 22 juni 2010 tot 7 juni 2011 fractievoorzitter. De heer Engels is voorzitter van de vaste Eerste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat / Algemene Zaken en Huis van de Koning (BiZa/AZ). Hij was voorzitter van de Commissie voorbereiding plenaire behandeling wetsvoorstellen regentschap en ouderlijk gezag minderjarige Koning. Hij is hoogleraar Recht Decentrale Overheden (Oppenheimleerstoel) en hoofddocent staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Op 26 november 2013 voerde hij het woord namens D66 in de Eerste Kamer bij de behandeling van de vraag of het wettelijke verbod op godslastering diende te worden afgeschaft. De uitspraak laat zien wat de belangrijkste reden is voor een verwerping van dit verbod: het beschermt de rechten van één bepaalde bevolkingsgroep en is daarmee in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
In dit debat over het afschaffen van het verbod op godslastering staat de balans tussen grondrechten centraal. Boris van der Ham (D66), de oorspronkelijke indiener van het wetsvoorstel, stelt namelijk dat hij door het afschaffen van het verbod op godslastering de weg naar een open dialoog, godsdienstige diversiteit en religiekritiek wil bevorderen. Volgens hem mag namelijk elke mening, ideologie of religie bekritiseerd worden, ook al is dat niet altijd aangenaam. De vrijheid van meningsuiting is voor hem van essentieel belang voor het maatschappelijk debat. Religieuze opvattingen moeten daarom op dezelfde wijze behandeld worden als alle andere meningen.

Analyse
Tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in de Eerste Kamer onderbouwt senator Engels deze gelijke behandeling met het argument dat ‘er geen objectieve en rationele rechtsgrond voor een ten opzichte van andere minderheidsgroepen bijzondere bescherming van religieuze normen en waarden’ is. Ook in een ander debat, over de enkelefeitconstructie, staat het gelijkheidsbeginsel centraal. Daarnaast speelt ook de scheiding tussen kerk en staat een grote rol. Want, zo betoogt Engels, het is niet aan de overheid om ‘bepaalde heilige of diepgevoelde overtuigingen te beschermen boven andere’.
Confessionele partijen zijn tegen het schrappen van deze wet. Kuiper (CU) stelt dat smalende godslastering een normaal debat doorbreekt. Het is krenkend en beledigend, waardoor mensen in hun godsdienstige gevoelens op een dusdanige manier worden weggezet dat zij niet meer kunnen deelnemen aan het debat. Daaraan wordt voorbijgegaan door de indieners en voorstanders van het wetsvoorstel. Hij impliceert hiermee dat het opheffen van het verbod op godslastering het gelijkheidsbeginsel juist ondermijnt. Het zou er immers voor kunnen zorgen dat religieuze minderheden beperkt worden om deel te nemen aan het debat. Confessionele partijen menen dat de meerderheid zorg moet dragen voor de minderheid, terwijl de seculiere partijen juist menen dat de ene minderheidsgroep niet bevoordeeld moet worden ten opzichte van andere minderheidsgroepen.
Interessant is dit debat omdat het gaat om de vraag welke stijl van religiekritiek in een maatschappij mag bestaan. Vreemd genoeg is de inzet van het debat niet langer de belastering van God. De wet die godslastering verbiedt ligt in het verlengde van het derde van de Tien Geboden: 'misbruik de naam van de Heer, uw God, niet' (Exodus, 20:7). Het debat is verschoven naar de vraag of men in maatschappelijke discussies dingen mag zeggen die andere mensen kwetsend of beledigend achten. Deze verschuiving maakt het verweer van de confessionele partijen zwakker. Immers, waarom zouden alleen gelovige mensen bescherming behoeven? Bovendien zijn er wettelijke regelingen rond belediging en aantasting van goede naam. De teneur van het debat over godslastering is dat de overheid uiterst terughoudend moet zijn waar het gaat om het recht van burgers zich in het openbaar te uiten - waarover het ook gaat en hoe de uiting ook getoonzet mag zijn. De afschaffing van het verbod op godslastering heeft daarom een symbolische betekenis. De vrijheid van meningsuiting kent blijkbaar geen grenzen: niets is heilig. Of dit werkelijk zo is en er niet in plaats van godslastering andere vormen van heiligschennis zijn verschenen, is een andere vraag.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki