Profanerende religieuze kunst

In het kort

De schilderijen die Aad de Haas vlak na de tweede Wereldoorlog voor een Limburgse kerk vervaardigde veroorzaakten een rel vanwege hun kritische distantie ten opzichte van de gangbare beeldtaal in de Rooms-katholieke kerk. De verbeelding van het goddelijke is een gevoelig onderwerp dat we in vele vormen van religiekritiek tegenkomen. Dit voorbeeld geeft aan dat godsdienst en kunst op gespannen voet kunnen staan.



De illustraties zijn ongeschikt met betrekking tot de waardigheid en de ernst van de heilige kunst. Zij zijn een uitgesproken voorbeeld van de betreurenswaardige neiging van misvormende en profanerende kunst. De afbeeldingen zijn monsterachtige larven en verwijzen naar tendenties in Nederland, die beledigend zijn voor de waardigheid van de religieuze onderwerpen.

Bron: Mariano Cordovani, aangehaald in Angela Oostindien, Cor Bertrand (red.), Aad de Haas. De schilderingen en kruiswegstaties in de Sint Cunibertuskerk te Wahlwiller, Nuth 1996, blz.23.

Over de kritiek van religieuze kunst
Mariano Cordovani (1883-1950), de toenmalige officiële woordvoerder van het Heilig Officie te Rome, uit hier zijn kritiek op de onorthodoxe uitbeelding van Christus door kunstenaar Aad de Haas (1920-1972). In de jaren na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een ware hetze tegen deze vernieuwende kunst. Aad de Haas genoot een katholieke opvoeding en de Bijbel is een grote inspiratiebron voor hem. Maar ook de oorlog is in zijn werk terug te zien. De Haas is de auteur van de 16 kruiswegstaties, die sinds 1981 weer in de Sint Cunibertuskerk te Wahlwiller te bewonderen zijn, nadat ze voor lange tijd weggehaald waren. Bijzonder is de afbeelding op de zestiende statie: Christus verrijst uit het graf. Traditioneel zijn er veertien kruiswegstaties, Aad de Haas schilderde er zestien: aan het begin en aan het eind voegde hij een statie toe, respectievelijk het verraad van Judas en de verrijzenis. Met de zestiende statie wil Aad de Haas laten zien dat Christus niet voor niets is gestorven aan het kruis. Om dit nog extra te benadrukken begint zijn kruisweg niet vooraan links, zoals gebruikelijk, maar rechts. Zo schijnt het licht tijdens het middaguur precies op de laatste statie, waardoor de verrijzenis van Christus nog beter uit de verf komt. Naast de staties, maakte hij ook illustraties voor het boekje In Jezus’ Lijden. Beide werken werden streng bekritiseerd in die tijd.

Analyse
De hetze ontstond onder leiding van de fascistische journalist Albert Kuyle, pseudoniem van Louis Maria Kuitenbrouwer (1904-1958). Hij had heftige kritiek op al het werk van De Haas, dat tijdens de oorlog al ‘entartet’ verklaard was. Hij was er volstrekt van overtuigd dat ‘de bezigheden van den heer De Haas in strijd (….) [waren] met alle bestaande en denkbare kerkelijke bepalingen.’ Ondanks het publicatieverbod dat Kuyle na de oorlog opgelegd had gekregen, greep hij alle mogelijkheden aan om de kunstenaar zwart te maken.
De illustraties die de kunstenaar maakte bij de lijdensmeditaties van zijn vriend pater G. Mathot, getiteld In Jezus' Lijden, brachten een hoop reuring teweeg. Albert Kuyle veroordeelde de afbeeldingen met citaten uit de juist uitgekomen pauselijke encycliek Mediator Dei et Hominum (1947) als ‘misvormingen en verkrachtingen van de gezonde kunst [...] menigmaal flagrant in strijd met de christelijke betamelijkheid, zedigheid en vroomheid terwijl zij al het ware religieuze gevoel op ellendige wijze kwetsen’.
Dit opiniestuk van Kuyle drong door tot het Vaticaan, wat ertoe leidde dat de Congregatie voor het Heilig Officie in 1949 het boekje In Jezus’ Lijden verbood. Het werd meteen uit de handel genomen en de bestaande voorraad werd vernietigd. Hierdoor kon de bisschop van Roermond, mgr. Lemmens, niet achterblijven en verbood ook de kruiswegstaties die Aad de Haas voor de Sint Cunibertuskerk te Wahlwiller had geschilderd. Over deze kruiswegstaties was in die tijd ook veel ophef. De bisschop liet weten dat de verbanning van de staties niet gebaseerd was ‘op artistieke gronden’, maar omdat ‘de uitbeeldingen van Christus’ lijden door Aad de Haas geen geschikte devotieobjecten voor eenvoudige dorpelingen konden zijn’. De reden van het verbod van In Jezus’ Lijden werd scherper verwoord door Mariano Cordovani in bovenstaand citaat.
Samenvattend kan gesteld worden dat de critici van mening zijn dat Aad de Haas Christus op een onjuiste manier heeft afgebeeld. De kritiek wordt op kerkelijk toneel geuit en kan daarom beschouwd worden als interne religiekritiek. Vanuit verschillende hoeken wordt de religieuze waarde van de kunst van Aad de Haas bekritiseerd. Binnen de Kerk zijn er maatstaven voor de heilige kunst, zoals waardigheid: onttrokken uit de platvloersheid van het aardse bestaan. Het werk van Aad de Haas wijkt hier vanaf, in de ogen van zijn tegenstanders. De Haas werd verweten dat hij het heilige ontkleedde: hij gebruikte religieuze symbolen op een ontheiligende manier, niet passend bij de waardigheid van de heilige kunst. Door de te alledaagse uitbeelding van het lijden van Christus wordt het werk van De Haas verworpen. Er is een gebrek aan eerbied voor het heilige, het werk is te profaan. De kritiek betreft dus niet de vraag of het geoorloofd is Christus af te beelden, maar slaat op de wijze waarop dit is gebeurd. De afbeeldingen van Jezus gemaakt door Aad de Haas konden door de onorthodoxe voorstelling niet dienen als devotieobjecten. De waardigheid van Jezus en de heilige kunst zou door deze onjuiste verbeelding bezoedeld worden. De werken van de Haas werden daarom beschouwd als te profaan om te kunnen dienen als bemiddeling van het goddelijke, dat hier dus beschouwd wordt als een oorsprong die enkel op conventionele wijze afgebeeld mag worden.
Aad de Haas werd echter postuum gerehabiliteerd. 'De kwestie Aad de Haas is illustratief voor de geest van die tijd, voor de argumenten die naar voren werden gebracht bij de beoordeling van een persoon en zijn werk en voor de sentimenten die hierbij een rol speelden; argumenten en sentimenten die nu welhaast onnavoelbaar zijn geworden.' Ook binnen de kerk zijn de meningen veranderd. Vijfentwintig jaar na De Haas' dood bood bisschop Wiertz van Roermond publiekelijk zijn excuses aan voor al het leed wat hem door de kerk was aangedaan: 'heel nadrukkelijk te zeggen dat het ons spijt dat met name Aad de Haas zelf, en natuurlijk ook zijn familie, geleden heeft door een besluit dat we nu ook heel moeilijk meer kunnen volgen.'
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki