Plotinos

Naam
Plotinos
Pseudoniem
geen
Geboren
205 n.C. te Lyconpolis
Overleden
270 n.C. te Campania


Plotinos (205-270 n.Chr), was de grondlegger van het neoplatonisme. Hij werd geboren in Egypte en studeerde in Alexandrië, onder meer bij de filosoof Ammonios Saccas. In 244 opende hij een school in Rome. De filosoof Porfyrios bezocht zijn school van 263-268 n.Chr. Na Plotinos’ dood verzamelde Porfyrios diens geschriften en gaf ze uit in zes Enneaden (groepen van negen traktaten). Ook schreef hij een biografie van Plotinos als inleiding op zijn werk. Aan het eind van zijn leven trok Plotinos zich terug naar Campania, waar hij stierf.

Filosofie

Plotinos construeerde zijn filosofie op basis van exegese van de dialogen van Plato. Kenmerkend voor zijn filosofie is de hiërarchie van metafysische entiteiten en de emanatieleer, die verklaart waarom een hoger principe een lager principe genereert zonder zelf minder te worden. De onderste laag is de materiële werkelijkheid, die in geordende beweging wordt gebracht door de individuele zielen en, daarbovenuit, door een kosmische ziel. Boven deze ziel staat een principe van denken (nous: geest of intellect) dat alle Platoonse Ideeën in zich bevat, die door de Wereldziel en de individuele zielen in de materie gestalte krijgen. Boven de Nous staat het Ene, dat identiek is met het Goede, en dat aan het denken Eenheid verleent.

Dit betekent dat de hele werkelijkheid beschouwd kan worden als een ontvouwing van het Goede. Het Goede stroomt als het ware over, zonder daarbij zelf minder te worden. Datgene wat eruit voortkomt, ontvangt bestaan wanneer het zich omdraait en zich richt op zijn oorsprong. Dan wordt het ook zelf tot scheppen in staat gesteld. Op deze wijze verspreidt het licht van het Goede zich in de duisternis. Omdat de materiële werkelijkheid het verst van de oorsprong verwijdert is, is het licht daar het zwakst: het kwaad in de wereld heeft geen bestaan op zich, maar is een ontbreken van het goede in deze onderste laag.

Plotinos’ filosofische werk is erop gericht ons mee te nemen in een mystieke terugkeer naar de oorsprong: door ons van begeerten te zuiveren kunnen we tot het niveau van de Wereldziel opstijgen, door het denken kunnen we verbonden worden met het Intellect, en daarbovenuit kan men een mystieke eenwording van zichzelf met het Ene ervaren, die niet in woorden uit te drukken is.

Religiekritiek

In het negende tractaat van de tweede Enneade keert Plotinos zich met ongewone felheid tegen de gnostici, een christelijke groepering die meent dat de waarneembare wereld gevormd is door een slechte scheppergod en dat Jezus hen kennis verschaft over de goede, geestelijke wereld. Deze geestelijke wereld bestaat uit een volheid aan wezens die zijn gegenereerd vanuit de hoogste God, die volstrekt transcendent en onkenbaar is. In veel opzichten zijn de gnostici in hun denken beïnvloed door de Platoonse filosofie en er zijn bovendien duidelijke parallellen met Plotinos’ eigen leer van de emanatie van de hele werkelijkheid vanuit het Ene.

Niettemin zijn er fundamentele verschillen tussen Plotinos’ kosmologie en die van de gnostici. Volgens Plotinos is deze wereld weliswaar een imitatie van de kosmos noètos, de wereld van Ideeën zoals die in het Intellect vervat is. Deze imitatie doet in tal van opzichten onder voor de eeuwige en onveranderlijke intelligibele werkelijkheid, maar ze is wel de best mogelijke imitatie en wordt door een goede en rechtvaardige voorzienigheid bestuurd. Door deze wereld toe te schrijven aan een slechte scheppergod maken de gnostici volgens Plotinos ruim baan voor libertinisme. Bovendien acht hij het arrogant dat de gnostici menen dat hun intellect goddelijker is dan dat van sterren en planeten, die de gnostici beschouwen als machten onder het gezag van de slechte scheppergod.

In het tractaat wordt geen scherp onderscheid gemaakt tussen gnostici en christenen in het algemeen. Wanneer Plotinos in Enneade II, 9, 6, 53-54 spreekt over het “bedrog dat bezig is zich van de mensheid meester te maken”, lijkt hij het christendom in het algemeen op het oog te hebben. Met name wanneer hij zijn tegenstanders ervan beschuldigt slechts één God te erkennen en niet in te zien dat de goddelijke majesteit juist in haar veelvuldigheid gelegen is, lijkt hij eerder het christendom in het algemeen dan de gnostici op het oog te hebben: in de geschriften van de gnostici komen we juist een grote veelheid aan geestelijke wezens tegen in de geestelijke werkelijkheid, waarover Plotinos elders in hetzelfde citaat klaagt: “Onder die eerste beginselen moet men dus niet méér dan deze drie hypostasen [de Eén, de kosmische Nous en de kosmische Ziel] opnemen en geen overbodige bedenksels waarvoor in die wereld geen ruimte is” (Enneade II, 9, 2, 1-2).

Het meest lijkt Plotinos zich echter nog te storen aan de wijze waarop de gnostici / de christenen hun leer aan de man brengen. Ze gebruiken geen deugdelijke filosofische argumentatie, maar zoeken bevestiging voor hun eigen leer door de oude Griekse filosofen belachelijk te maken (exemplum 1). Ze houden domme mensen uit het volk voor dat ze kinderen van God zijn en hoger staan dan iedereen (exemplum 2). En tenslotte menen ze het goddelijke met magische praktijken te kunnen beïnvloeden (exemplum 3).

Voor verantwoording van de gebruikte bronnen en verdere bibliografie klik hier.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki