De vloek van het Atheïsme (Plato)

In het kort

Wie? Plato (428/427 of 424/423 voj--348/347 voj)

Waar en wanneer?
Periode: Oudheid.
Context: vraag naar de juiste inrichting van de staat

Hoe?
Medium: geschrift.
Positionering: interne religiekritiek.
Stijlmiddel(en): dialektiek.
Genre: wijsgerige dialoog.

Wat?
Voorwerp van kritiek: atheïsme.
Doel van de kritiek: politieke noodzaak van godsdienst.
Grond(en) van kritiek: X.



Welaan, hoe zou iemand zonder bezieling kunnen beargumenteren dat de goden bestaan? Want we moeten ons immers wel verontrusten en hen haten, diegenen die ons [hiertoe] noodzaken aangezien zij niet die verhalen geloven die hen van kindsbeen af zijn verteld. [...] Diegenen dus, die dat alles verachten en wel zonder enige goede grond, wat ieder behept met een onsje gezond verstand zou beamen [...] Hoe zou iemand bij machte zijn zulk soort mensen met zachte woorden te vermanen, en hen tegelijk aan te leren dat de goden in elk geval bestaan? Het moet echter gebeuren. Want het schiet niet op als beide partijen razend en tierend tegen elkaar tekeer gaan, de één vanwege genotzucht, de ander vanwege verontwaardiging over zulke lieden. Onze inleidende woorden aan deze lieden - in hun denken zodanig bedorven - moeten dus onaangedaan zijn en we moeten onze verontwaardiging onderdrukken alsof we spreken met een enkeling van dit soort: Mijn kind, je bent nog jong en de tijd zal je dwingen veel van je huidige meningen te herzien en het tegendeel ervan aan te nemen [...].”

Bron: Plato, Nomoi, 887c- 888b, vertaald en ingekort door René Nuijs.

Over Plato's kritiek op godloochenaars
Plato (vermoedelijk 427-347 v.o.j.) is de eerste filosoof van wie veel geschriften zijn overgeleverd. Zijn teksten zijn grotendeels opgetekende dialogen rond de hoofdfiguur van Sokrates, een illustere wijsgeer die als publiek persoon optrad in Athene en in 399 v.o.j. ter dood werd veroordeeld vanwege vermeende religiekritiek. Plato maakt van Sokrates iemand die de denkbeelden van zijn medeburgers kritisch onderzoekt en langs deze weg tot een dieper inzicht in de werkelijkheid komt. Plato benadrukt in deze dialogen dat een samenleving - zoals alles in de wereld - moet berusten op ideeën en alleen tot volmaaktheid komt wanneer deze ideeën in de samenleving worden uitgedragen en verwerkelijkt door kundige leiders - het liefst filosofen. In het latere werk verlaat Plato deze benadering en opteert voor een minder vergaande oplossing: een politieke gemeenschap die steunt op wetten. De idealistische politieke filosofie noopt Plato ook om een lans te breken voor de godsdienst als belangrijk onderdeel van de inrichting van een staat of polis.
Atheïsme leidt volgens Plato, zo blijkt uit zijn dialoog Nomoi, tot een hedonistische levenshouding die de politieke gemeenschap ondermijnt. Het leidt ook tot een materialistische opvatting van de kosmos, alsof deze de uitkomst is van toevallig bewegende atomen. De kosmos is volgens Plato juist geordend volgens vaste beginselen die van goddelijke aard zijn. Dezelfde grond bracht Plato er eerder toe de dichters uit zijn ideale staat aan banden te leggen. De godenverhalen van Homeros en Hesiodos, gemeengoed in Plato's tijd, waren geen geschikte voorbeelden voor de burgers - ze riepen op tot onenigheid, bedrog, verraad en andere asociaal gedrag. Plato is - voor zover bekend - de eerste die het begrip 'theologie' gebruikt en wel in de Politeia (379a): typoi peri theologias. (In veel teksten uit de oudheid worden de dichters als theologoi onderscheiden van de philosophoi, terwijl veel van wat de filosofen schreven veel dichter komt bij wat wij vandaag onder theologie zouden verstaan.) Zie verder Nieuwe soorten van theologie.

Analyse
In dit voorbeeld wordt duidelijk dat voor Plato er weinig zaken gevaarlijker zijn dan atheïsme juist omdat religie, mits wel gezuiverd van de dichterlijke vrijheden die er ingeslopen waren, de grondslag is van de eerbied en het fatsoen die zo essentieel zijn voor de samenleving. Zij die het bestaan van de goden loochenen of de goden als minder dan volmaakt voorstellen, doen daarmee niet alleen schade aan zichzelf maar ook aan ieder die er door gaat twijfelen en daarmee schaden zij ook de gemeenschap als zodanig.
Sinds een werkelijke regering van de Wijzen een onhaalbare kaart is, is voor Plato het grootste belang dat er dan in ieder geval een ware staatsman is die de constitutie opstelt en dat daarin later niet, of zo min mogelijk, verandering in wordt aangebracht door de daaropvolgende generaties. Een dergelijke constitutie bevat niet alleen wetten over het bestraffen van vergrijpen, maar bepaalt ook de kalender van religieuze festivals en de juiste gang van zaken met betrekking tot rituelen als ook de verhalen die verteld of gezongen dan wel opgevoerd mogen worden.
Omdat een dergelijke constitutie immers een zo volmaakt geheel is als maar mogelijk zou bijna elke verandering, zeker een fundamentele wijziging, afbreuk doen aan die perfectie. De beste garantie voor de door Plato zo gewenste stabiliteit is de eredienst aan de goden, de aanvaarding van de goden als volmaakte wezens die betrokken zijn bij menselijke aangelegenheden en rechtvaardig zijn. In een dergelijk systeem, nog altijd een van de meest indrukwekkende “gesloten samenlevingen” ooit geschetst, is het niet verwonderlijk dat aan de wijsheid ( en het conservatisme) dat komt met de jaren veel waarde wordt toegekend.
Het zou echter onjuist zijn in Plato betoog omtrent dit punt niets anders te lezen dan een berekende inschatting van iemand die in de goden niets ziet dan bruikbare verzinsels. In Nomoi als ook op vele andere plaatsen geeft Plato blijk van een diepgeworteld geloof in zowel de goden als rechtvaardige en volmaakte wezens als ook in een kosmologie die garandeert dat rechtvaardigheid geschiedt - of het nu hier is, of in het hiernamaals.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki