Wetenschappelijke kritiek op religie is niet mogelijk (Wittgenstein)

In het kort

In het hedendaagse debat over religie worden vaak wetenschappelijke argumenten gebruikt om religieuze opvattingen te weerleggen. Filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) ontkende dat wetenschappelijke argumenten überhaupt van toepassing kunnen zijn op religie. Zijn bijdrage aan het onderzoek over religiekritiek schuilt niet zozeer in zijn oordeel over religie maar in zijn analyse van het oordelen zelf, bijvoorbeeld in de kritiek van religie.



“They base things on evidence which taken in one way would be exceedingly flimsy. They base enormous things on this evidence. Am I to say they are unreasonable? I wouldn't call them unreasonable. I would say, they are certainly not reasonable, that's obvious. 'Unreasonable' implies, with everyone, rebuke.

Bron: Ludwig Wittgenstein, Lectures on Religious Belief p. 57-58

Over Ludwig Wittgensteins houding tot religie
Ludwig Wittgenstein (1889-1951) was een Oostenrijks-Britse filosoof die veel heeft bijgedragen aan de taalfilosofie en de grondslagen van de logica. Bekende werken van zijn hand zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1921/22) en Philosophische Untersuchungen (1953, postuum verschenen). Na zijn dood verschenen ook veel van zijn colleges, waaronder Lectures and Conversations on Aesthetics, Psychology and Religious Belief. In zijn vroege werk sprak Wittgenstein zich sterk uit over religie. Religie behoorde volgens hem tot het mystieke domein van waarden. Religie was daarom volgens de jonge Wittgenstein niet 'te zeggen', niet uit te spreken, het kon niet uitgedrukt worden in betekenisvolle proposities.[1] In andere, al even Wittgensteiniaanse woorden: het religieuze kan niet gezegd worden, maar wel worden getoond. Daarmee wil Wittgenstein zeggen dat we geen ware, toetsbare uitspraken over het religieuze kunnen doen, dat het de reikwijdte van de betekenisvolle taal ontstijgt. Wel kunnen we er naar hinten, het religieuze toont zich op een manier die wellicht het best te vergelijken valt met de manier waarop poëzie betekenis poogt te geven aan de meest prangende behoeften en vraagstukken uit het menselijke leven.

Analyse
De vraag naar de redelijkheid van religieus geloof is wellicht de meest interessante die in de Lectures on Religious Belief wordt behandeld. Wittgenstein stelt dat er een groot gat zit tussen de kracht waarmee religieuze overtuigingen worden aangehangen en de kracht van het bewijs dat voor die overtuigingen wordt aangevoerd. Dat bewijs is doorgaans maar 'flimsy'. Religieus geloof is dan ook niet redelijk. Maar is het daarom onredelijk? Nee, zegt Wittgenstein.
De laatste zin van het hierboven gegeven citaat, “ ‘Unreasonable’ implies, with everyone, rebuke” raakt de kern van het onderscheid tussen ‘unreasonable’ en ‘not reasonable’. Uitspraken die onredelijk zijn (unreasonable) bevinden zich nog binnen het domein van de rede. Ze kunnen weerlegd worden met goede redenen. Wat niet-redelijk is ligt daarbuiten. Niet-redelijke beweringen kunnen niet met redenen onderbouwd of weerlegd worden. Wittgenstein plaatst religie in het domein van het niet-redelijke (en dus niet van het on-redelijke). Leefde hij nog dan zou Wittgenstein ongetwijfeld atheïsten als Richard Dawkins uitleggen dat zij er verkeerd aan doen om religie met wetenschappelijke argumenten te bestrijden.
Sterker nog, zo schrijft Wittgenstein, religieuze gelovers pretenderen helemaal niet dat hun geloof redelijk is en met wetenschappelijke feiten onderbouwd kan worden: "I want to say: they don’t treat this as a matter of reasonability. Anyone who reads the Epistles will find it said: not only that it is not reasonable, but that it is folly. Not only is it not reasonable, but it doesn’t pretend to be."
Religieuze termen – bijvoorbeeld god, zonde – verwijzen volgens Wittgenstein niet naar specifieke entiteiten. Religieuze termen en uitspraken zijn geen descriptieve taalhandeling. Ze beschrijven geen empirische en geen transcendente werkelijkheid. Ze bevatten kortom geen kennisclaims. Daarmee liggen religieuze termen en uitspraken buiten het domein van de rede. Ze zijn niet-redelijk. Wittgenstein geeft als voorbeeld dat iemand die gelooft in het laatste oordeel met dat geloof geen voorspelling doet dat er iets zal gaan gebeuren (een beschrijving van een toekomstige stand van zaken die, op termijn, controleerbaar is en daarmee weerlegd kan worden en binnen het domein van de rede valt). Wie zegt in het laatste oordeel te geloven drukt daarmee zijn verbondenheid met een specifiek referentiekader uit, bijvoorbeeld een beeld van de wereld waarin mensen zich voortdurend beoordeeld voelen door een god.
Omdat religieuze termen en uitdrukkingen niet-redelijk zijn is het niet nodig en zelfs onzinnig om te proberen ze te bewijzen of ontkrachten. Wie dat toch doet heeft niet begrepen wat religie is en wat de functie is van religieuze uitdrukkingen. Indirect sneert Wittgenstein naar denkers als Dennett, Dawkins en de andere leden van de Four Horseman of New Atheïsm.
Religieuze uitspraken, of ze nu een a priori argument maken, getuigen van een openbaring of van goddelijke ingevingen, zijn per definitie onbewijsbaar. Ze zijn niet te herleiden tot een bron van kennis maar tot een beslissing, een beslissing de wereld op een bepaalde manier te beschouwen. In de Lectures on Religous Belieflegt Wittgenstein bijvoorbeeld uit dat onze lezing van de gospels verschilt van onze lezing van een historisch verslag. De reden is dat onze attitudes ten opzichte van beide soorten tekst radicaal anders zijn: een historisch verslag is poging het verleden feitelijk weer te geven, terwijl de gospels getuigen van een manier om de wereld te beschouwen.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki