The Natural History of Religion (1757)

Naam
The Natural History of Religion
Auteur
David Hume
Periode
Verlichting
“Ieder onderzoek naar religie is van het grootste belang, maar er zijn twee vragen in het bijzonder die onze belangstelling vereisen, te weten, de vraag naar haar fundering in de rede en de vraag naar haar oorsprong in de menselijke natuur.”
(David Hume, The Natural History of Religion. Ed. H.E. Root. Druk 2007. Stanford: Stanford University Press, 1956. P. 21. Vertaling door auteur)

Het is met het bovenstaande citaat dat David Hume zijn werk, The Natural History of Religion (NHR), begint. De eerste vraag, die naar de redelijkheid van een geloof in God, behoeft volgens Hume geen verdere uitweiding. Het is voor Hume overduidelijk dat er een intelligente schepper achter deze wereld schuilt, immers de grote regelmaat en conformiteit in de wereld veronderstelt volgens hem een intelligent ontwerp. Als de mens via deze door de rede geïnspireerde weg tot een geloof in God zou komen, het ‘ware Theïsme’, dan moet zij, volgens Hume, overal en altijd uniform zijn. Aangezien dit niet het geval is concludeert hij dat de religie zoals die in de geschiedenis voorkomt, de ‘historisch-positieve’ religie, niet bereikt wordt met de rede. In het werk gaat hij zich dan ook bezig houden met de tweede vraag, de vraag naar de oorsprong van de religie in de mens.

De oorsprong die Hume wel vindt voor de ‘historisch-positieve’ religie is dat zij afkomstig is uit de passies, te vergelijken met emoties, van de mens, in het bijzonder hoop en vrees. Deze passies leidde ertoe dat de mens al het onverklaarbare toeschrijft aan verborgen menselijke krachten. Zodoende komt de mens volgens Hume tot het polytheïsme. Vanuit het polytheïsme komt de mens geleidelijk tot het monotheïsme door steeds meer menselijke trekken toe te kennen aan de verschillende goden. Eén van deze menselijke trekken is dat er één god de baas wordt over alle andere goden. Tot deze god wordt meer gebeden, tot men uiteindelijk alle andere goden vergeet en enkel de ‘oppergod’ aanbidt. Dit is niet het ‘zuivere Theïsme’, bereikt met de rede, maar het ‘historisch-positieve’ monotheïsme bereikt door de passies hoop en vrees. Dit ‘historisch-positieve’ monotheïsme heeft als nadeel uit haar ontstaansgeschiedenis dat mensen snel weer terugvallen in polytheïsme. De ‘oppergod’ staat op een gegeven moment zo ver van de mensen af dat zij zich niet meer met hem/haar kunnen vereenzelvigen in momenten van angst en vrees. Zodoende ontstaan er weer kleinere meer toegankelijke goden volgens Hume. Een voorbeeld hiervan is de maagd Maria, zo legt hij uit in NHR.

Ondanks dat hij het antwoord op zijn vraag heeft gevonden gaat hij in zijn werk vervolgens in op de ethische consequenties die de verschillende vormen van religie met zich mee brengen. Deze werkt hij aan de hand van voorbeelden uit. Een van die voorbeelden heeft betrekking op geweld. Geweld komt voor in het polytheïsme, wat sowieso barbaars is volgens Hume. Dit geweld is toevallig (random) volgens hem. Het geweld in het ‘historisch-positieve’ monotheïsme richt zich specifiek op mensen die anders geloven en dit maakt het een bezwaarlijker vorm van geweld dan die in het polytheïsme. Het ‘historisch-positieve’ monotheïsme staat verder in schril contrast met het ‘zuivere Theïsme’. Hierin zou namelijk geen geweld voorkomen volgens Hume. Immers, deze met de rede bereikte religie, begrijpt dat God iedereen gecreëerd heeft en dus iedereen lief heeft. Een soortgelijke conclusie bereikt Hume in andere ethische kwesties. Kortom, volgens Hume is het ‘historisch-positieve’ monotheïsme verderfelijker nog dan het polytheïsme, echter de beste en zuiverste religie is die bereikt met de rede, het ‘zuivere Theïsme’.

Hij concludeert zijn werk met terug te gaan naar de vraag waarmee hij zijn werk begon. De mens is volgens Hume niet van nature religieus, maar komt ertoe vanuit de passies. Een terechte vraag is hier natuurlijk of diezelfde passies niet toebehoren aan de menselijke natuur, echter geeft Hume hierop geen antwoord. Wat deze ontstaansgeschiedenis echter als consequentie heeft volgens hem is dat het beste principe, het geloof in één enkele god, leidt tot de meest weerzinwekkende praktijken in de mens. Of dit te voorkomen of eenduidig te verklaren is, blijft volgens Hume een eeuwig raadsel.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki