Monotheisme en moderne religiekritiek

In het kort

Koning Josia laat het land zuiveren van alle afwijkende vormen van godendienst teneinde het volk te verenigen onder één God. Dit lemma bespreekt twee hedendaagse duidingen van het ontstaan van het monotheïsme naar aanleiding van dit voorbeeld uit het Oude Testament.Vaak wordt de moderniteit voorgesteld als een bevrijding van dogmatische religie waar de wetenschap als bron van waarheid tegenover wordt gesteld. De moderne kritiek op de godsdiensten in naam van de waarheid stoelt echter op een traditie die ontstond met het monotheïsme zelf.



Hij ontsloeg de afgodspriesters die door de koningen van Juda waren aangesteld om offers te ontsteken op de offerplaatsen in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, en stuurde de priesters weg die offers ontstaken voor Baäl en voor de zon, de maan en de sterren, voor alle hemellichamen. […] In het hele land, van Geba tot Berseba, liet hij de offerplaatsen ontwijden waar de priesters offers ontstoken hadden. […] Hij liet de altaren afbreken die de koningen van Juda op het dak van het bovenvertrek van Achaz hadden geplaatst, en ook de altaren die Manasse op de beide voorhoven van de tempel had laten maken. […] Ook zuiverde Josia het land van geestenbezweerders, waarzeggers, huisgoden, afgoden, kortom, van alle verfoeilijke praktijken die in Juda en Jeruzalem voorkwamen. Zo kwam hij na wat beschreven stond in het wetboek dat de priester Chilkia in de tempel van de HEER had gevonden.

Bron: 2 Koningen, 23: 5, 8, 12, 24 (in de vertaling van de Katholieke Bijbelstichting en de Vlaamse Bijbelstichting, 's-Hertogenbosch/Leuven 2005).

Over Koning Josia’s religieuze politiek
Bovenstaande citaat maakt duidelijk dat koning Josia (640 tot 609 v.Chr.) het land wil zuiveren van allerlei religieuze praktijken en heilige plaatsen die verwijzen naar andere goden dan de ene God met wie de joden een verbond hebben gesloten (23: 1-3). Josia belooft de ene God trouw te dienen en daarom aan elke twijfel over diens heerschappij een einde te maken. Monotheïsme verdraagt zich niet met de verering van andere goden. De inzet van de politiek is ook mogelijke verdeeldheid onder het volk te voorkomen. De politiek van Josia zorgt dan ook voor eenheid binnen het volk. De passage komt uit 2 Koningen, een boek uit het Oude Testament waarin de geschiedenis van het oude Israel en Juda beschreven staat. Dit is slechts één voorbeeld uit vele: eenheid tot stand brengen waar veelheid bestaat is een belangrijk en terugkerend motief in de geschiedenis van de religiekritiek.

Analyse
De egyptoloog Jan Assmann heeft (allereerst in een gepubliceerde lezing: Politische Theologie zwischen Ägypten und Israel uit 1991) betoogd dat het verschijnen van het monotheïsme een radicale breuk met alle bestaande religieuze tradities inhoudt. Het monotheïsme verschijnt voor het eerst kortstondig met de Egyptische cultus rondom Aton, en voor een tweede maal veel duurzamer met de Joodse god Jahweh. Deze monotheïsmen onderscheiden zich van de polytheïstische traditie door een singulier en fundamenteel waarheidsbegrip. Zij claimen niet één van de vele goden te dienen, maar de ene, ware God. Door religie los te koppelen van bestaande tradities en in dienst te stellen van een fundamenteel onderscheid tussen waar en vals, kan vanuit het monotheïsme elk geloof en elke bestaande religieuze praktijk worden bekritiseerd. Deze fundamentele waarheidsaanspraak is dus gebonden aan een radicale religiekritiek die zich kan uiten als de actieve bestrijding en vernietiging van alle andere vormen van cultus en geloof, zoals Josia deed in Juda. Deze kritiek is radicaal in die zin dat ze zich uitstrekt over het hele domein van geloof, en dus ook tot het religieuze standpunt van waaruit de kritiek wordt geformuleerd. De geuite kritiek op het object van geloof – het ontmaskeren van goden als afgoden en geloven als valse geloven – werkt dus door tot op het geloof in de ene, ware God en slaat terug op haar belijders. Het monotheïsme wordt een godsdienst die voortdurend onder druk staat het eigen godsbegrip te beoordelen – en verandert zo in een religiekritische religie.
Marc de Kesel heeft deze stelling verder uitgewerkt in een aantal nauw samenhangende essays, gebundeld in het boek Goden Breken (Amsterdam, 2010). Hierin gaat hij in op de verhouding tussen religie en kritiek in de moderniteit, en de verhouding die het monotheïsme – die een religiekritiek bevat die zich aandient als dienst aan de ware God – hierin speelt. Zijn stelling is dat moderniteit en religie, in hun beider kritisch, zich op de waarheid beroepend potentieel, veel nauwer met elkaar vervlochten zijn dan gedacht, en dat het juist hun beider kritiek is die hen in laatste instantie aan elkaar bindt. In deze visie is de moderniteit niet zozeer de antithese van het christendom, als wel de realisatie of synthese van het christelijk geloof en de aan haarzelf ontsproten kritiek. Via katholicisme, Reformatie, Renaissance en Verlichting is een monotheïsme van religiekritiek getransformeerd in een moderniteit die zich voorstelt als verlichting en bevrijding van de dogmatische religie. Maar precies in die idee van een bevrijding in naam van de ene waarheid is de moderniteit schatplichtig aan het christendom: het monotheïsme waarvan ze vol trots verkondigd zich ervan bevrijd te hebben. De stelling van Assmann en de Kesel heeft, als we haar ernstig nemen, tot gevolg dat we de dichotomie interne versus externe religiekritiek moeten herzien, of althans anders moeten waarderen: ‘externe’ religiekritiek (kritiek op het religieuze van buitenaf) is verweven met de intern religiekritische traditie.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki