Maarten Luther

Naam
Maarten Luther
Pseudoniem
geen
Geboren
10 november 1483 te Eisleben
Overleden
18 februari 1546 te Eisleben


Maarten Luther, dé man van de reformatie, zag het levenslicht in Eisleben, in een familie die niet onbemiddeld, maar ook niet uitgesproken rijk was. Vanaf 1484 woonde hij met zijn familie in Mansfeld en had hij waarschijnlijk een weinig opzienbarende jeugd. Als veertienjarige bezocht Luther het gymnasium in Maagdenburg, vanaf 1498 ging hij in Eisenach naar school. Op zeventienjarige leeftijd ging hij in Erfurt naar de universiteit en bekwaamde hij zich in de filosofie, hoewel het eigenlijk de bedoeling was dat hij rechten zou studeren, zoals zijn ouders hadden gewild. Verschillende bedreigende omstandigheden, zoals een ongeluk in 1503 en de pest in Erfurt in 1505 leidden er waarschijnlijk uiteindelijk toe dat Luther, bij hevig onweer in een open veld aan St. Anna beloofde bij zijn overleven het klooster in te gaan. In 1506 werd Luther opgenomen binnen de orde van Augustijner monniken, en al in 1507 mocht hij ook priester worden.

In 1510 maakte Luther met enkele van zijn broeders een reis naar Rome, en werd vermoedelijk in Rome geconfronteerd met enige desillusie over de staat van religieuze zaken aldaar. In 1511 keerde het gezelschap terug in Erfurt vanuit Rome en vestigde Luther zich vervolgens permanent in Wittenberg, waar hij in 1512 doctor in de theologie werd op 28-jarige leeftijd. In de daaropvolgende jaren zou hij verscheidene lezingen geven aan de universiteit.

Op 31 oktober 1517 voerde Luther zijn vermoedelijk meest beroemde daad uit; het nagelen van de 95 stellingen aan de deur van de Schlosskirche in Wittenberg. Met deze daad werd de reformatie in volle gang gezet. Luther zelf zou niet lang na het nagelen van zijn stellingen voor de keizer van het Heilige Roomse Rijk gesommeerd worden, en hij riskeerde bovendien excommunicatie als hij niet het grootste deel van zijn stellingen introk. Luther deed echter geen afstand en verbrandde zelfs publiekelijk een pauselijke bul, wat leidde tot zijn excommunicatie in 1521. Hij bleef zelf niet stilzitten, en in 1522 verscheen zijn Bijbelvertaling in de volkstaal, voorzien van 123 houtsneden van Lucas Cranach.

Enkele jaren later, op 13 juni 1525 trouwde Luther met Katharina von Bora, en voormalig non die hij had helpen ontsnappen uit haar klooster. In de jaren 1526 tot 1534 kregen ze in totaal zes kinderen. In de latere jaren van zijn leven verkeerde hij niet in goede gezondheid, wat hem volgens sommigen zelfs scherper dan gewoonlijk maakte. Hij bleef schrijven en preken, tot hij op 18 februari 1546 overleed in zijn geboorteplaats Eisleben.

Interne religiekritiek

Luthers 95 stellingen waren scherp gekant tegen de praktijken van de aflaathandel, die in de hand gewerkt waren door de geldnood waarin de geestelijkheid verkeerde. Kopers van aflaten werd voor ogen gehouden dat ze hun tijd in het vagevuur aanzienlijk konden inkorten, of zelfs geheel konden vrijkopen. Luther beschouwde deze gedachtegang als zeer slecht voor het zielenheil van de zondaar, omdat het zorgde voor een vals gevoel van zuivering. Ook vond hij dat de geestelijkheid en de paus geen enkele invloed hadden op de tijd die men in het vagevuur moest doorbrengen en dat vergeving alleen door God gegeven kon worden. Daarnaast had hij kritiek op de hoge kosten van aflaten, waarmee bijvoorbeeld de bouw van de nieuwe St. Pieter in Rome werd gefinancierd.

Het huwelijk van Luther met Katharina von Bora kwam voort uit een ander belangrijk kritiekpunt van Luther op het katholieke geloof: hij geloofde niet in het celibaat, maar stelde dat iedere monnik en non op een gegeven ogenblik zou zwichten voor vleselijke verlangens. Daarnaast was de door God gewilde relatie tussen man en vrouw die van echtgenoten.

Luthers houding ten opzichte van religieuze beelden was verrassend mild vergeleken met de houding van sommige hervormers. Waar zijn tijdgenoot Andreas Bodenstein von Carlstadt bijvoorbeeld afbeeldingen in kerken bijvoorbeeld omschreef als kwalijk en duivels, en maatregelen nam om de kerken van al hun decoratie te ontdoen, omschreef Luther zelf de mens toegefelijk als een onverbeterlijke maker van beelden. Hij geloofde dan ook niet dat religieuze beelden enige macht hadden om de menselijke geest te redden of te verdoemen, en dat ze zelfs een positief effect konden hebben op vroomheid. Het was deze toegefelijke houding, in een tijd vol fanatieke iconoclasten, die er vermoedelijk voor zorgde dat Lucas Cranach, maker van religieuze kunst bij uitstek, het aandurfde zich met Luther te verbinden, met een vruchtbare samenwerking als gevolg.

Interreligieuze religiekritiek

Naast Luthers uitgebreide kritieken op allerhande facetten van het Christelijk geloof, verschenen er ook werken van zijn hand waarin hij andere geloofsovertuigingen bekritiseerde. Zowel joden als moslims werden door Luther beschouwd als ongelovigen en vijanden van het Christendom, maar hij maakte wel degelijk een onderscheid tussen de twee.
In 1529 verscheen Luthers Over de oorlog tegen de Turk. In dit werk levert Luther zonder meer kritiek op de Islam, door ‘de Turk’ te omschrijven als een aanhanger van de duivel die niet alleen mensen en landen maar ook het Christelijk geloof zal ruïneren. Hij geeft echter ook schoorvoetend toe dat het Turks bestuur wel individuen toestaat hun persoonlijke geloof uit te oefenen zolang dat geen conflicten oplevert met het bestuur. Daarnaast zal het in het voordeel van de Turken hebben uitgepakt dat ze een gezamenlijke vijand hadden: Turken stonden immers bekend als de aartsvijanden van de Paus. Met andere woorden: Luther beschouwde de Turken nog altijd als heidenen en vijanden van het Christelijk geloof, maar is beduidend minder vijandig ten opzichte van hen dan misschien te verwachten was in een tijd waarin de Turkse dreiging voelbaar was door heel Europa.

In zijn laatste levensjaren schreef Luther verschillende keren over het Jodendom. Een opmerkelijke verandering in houding ten opzichte van de Joden blijkt alleen al uit de titels van zijn werken. In 1523: Dat Jezus Christus een geboren Jood is, in 1542: Over de Joden en hun leugens. Luthers relatief milde houding in het eerste werk, waarin hij Christenen maant om Joden goed te behandelen, is niet meer terug te herkennen in de latere werken, waarin hij Joden omschrijft als een volk dat geheel losstaat van God, een minderwaardige volk vol hoererij en zelfs het excrement van de duivel. Hun gewoonte van besnijdenis en hun rituelen zijn volgens hem verdorven en hij roept zelfs op om hun scholen en synagogen te verbranden. Deze omslag en razernij ten opzichte van de Joden kwam vermoedelijk voort uit zijn teleurstelling dat ze zich niet bekeerden, zoals hij hoopte in Dat Jezus Christus een geboren Jood is, nu het Christendom in zijn ogen gezuiverd was van de paapse slechtheid. Veel moderne Lutheraanse kerken hebben ook expliciet afstand gedaan van Luthers scherpe antisemitisme.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki