Gemoedsrust in plaats van godsvrees (Lucretius)

In het kort

Lucretius keerde zich in de eerste eeuw v.Chr. in zijn leerdicht De rerum natura tegen de menselijke vrees voor de goden. Dit brengt mensen ertoe allerlei handelingen te verrichten waarvan zij denken dat deze de goden gunstig stemmen. Volgens deze epicureïsche filosoof getuigt het veeleer van een eerbiediger houding jegens de goden (pietas) naar gemoedsrust te streven dan de goden te overladen met geschenken en ander eerbetoon.



O gij rampzalige mensheid, die al deze dingen aan Goden toeschreef en zelfs hen verbitterde toorn deed koestren! Hoe droeve klachten hebt gij voor uzelve geschapen, hoe pijnlijke wonden, ach, ook voor ons! Hoeveel tranen voor hen die na ons zullen komen! Vroomheid is níet: dat men telkens gezien wordt, gehuld in zijn mantel, wendende zich tot een steen; niet ieder altaar te bezoeken; ook niet om zich op de grond voorover te werpen, zijn handen open te strekken naar heiligdommen van Goden en ook niet om de altaren met bloed van het viervoetig vee te overstromen, noch om gelofte aan gelofte te schaaklen … Neen, veeleer is vroomheid: alles met onverstoorbaar gemoed te kunnen beschouwen!

Bron: vertaling door Aeg. W. Timmerman, in P.H. Schrijvers (red.), Lucretius. Over de natuur, Ambo/Athenaeum/Polak & Van Gennep, Baarn/Amsterdam 1984, hoofdstuk 5, verzen 1194-1203.

Over Lucretius
Titus Lucretius Carus (99-55 v.Chr.) is de auteur van Over de aard der dingen (De rerum natura), een leerdicht van zes boeken waarin hij de natuurfilosofie van Epikouros uiteenzet voor een Romeins lezerspubliek. Over het leven van Lucretius is verder vrijwel niets bekend. Zijn leerdicht is echter een belangrijke bron voor onze kennis van de Epicureische filosofie en bovendien een vroeg meesterwerk van Latijnse poëzie. Zijn belang voor de religiekritiek in de Oudheid blijkt uit Lucretius’ eigen beschrijving van het doel van zijn werk: “u uit de knellende kluisters van ’t bijgeloof te verlossen” (artis religionum animum nodis exsolvere, Lucretius, Over de aard der dingen, 1.931-932).

Analyse
Lucretius legt in het bovenstaande citaat uit hoe de mensheid ertoe gekomen is de goden te vrezen en cultussen in te stellen om hen gunstig te stemmen. De mensen zagen in hun slaap de afbeeldingen van de goden en schreven vervolgens de orde in het universum en opmerkelijke natuurverschijnselen aan hen toe. Dat heeft de mensheid veel angst en verdriet opgeleverd. Lucretius uit dan ook scherpe kritiek op het soort vroomheid dat alles doet om de goden gunstig te stemmen: heiligdommen bezoeken, dieren offeren, geloftes afleggen. Dit alles getuigt van een verkeerd beeld van de goden: goden laten zich niet omkopen, zoals reeds Plato betoogde in de Wetten (905E-907B). Maar Lucretius gaat verder dan Plato: niet alleen laten de goden zich niet omkopen, ze houden zich in het geheel niet met de mensen bezig en zijn niet verantwoordelijk voor wat wij aan genoegen en pijn ondergaan. Vroomheid is daarom niet gelegen in het offeren, maar in een levenswijze die lijkt op die van de goden: een leven vrij van angst, waarin de pijn zoveel mogelijk vermeden wordt, waarin alles met bedaarde geest (pacata mente) bezien wordt.
Lucretius wijst niet elke vorm van godsdienst af. In boek 6 van zijn leerdicht beschrijft hij dat wie beheerst wordt door angst voor de goden, niet met een vredig gemoed naar hun tempels kan gaan. De implicatie is dat wie van deze angst bevrijd is, wel naar de tempels kan gaan met een gemoedsgesteldheid die de goden waardig is: met de rust en vreugde die ook het leven van de goden zelf kenmerkt. De reden om de goden te eren is dan niet om hun toorn af te kopen, maar een onzelfzuchtig vereren van de grootsheid van de goddelijke wezens.
Lucretius betoogt dus dat vrees voor de goden gebaseerd is op mentale afbeeldingen van deze goden die deze mensen ervaren tijdens hun slaap. Volgens Lucretius is het beeld dat deze mensen van de goden hebben foutief, het moet bijgesteld worden. Mensen moeten zich niet laten leiden door de angst die deze mentale goden hen inboezemen, ze moeten daarentegen een vredig en gemoedelijk leven leiden.

Oorspronkelijke tekst:
O genus infelix humanum, talia divis cum tribuit facta atque iras adiunxit acerbas! quantos tum gemitus ipsi sibi, quanta que nobis volnera, quas lacrimas peperere minoribus nostris! nec pietas ullast velatum saepe videri vertier ad lapidem atque omnis accedere ad aras nec procumbere humi prostratum et pandere palmas ante deum delubra nec aras sanguine multo spargere quadrupedum nec votis nectere vota, sed mage pacata posse omnia mente tueri.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki