Tegen het goddelijk bestuur van de wereld (Lucretius)

In het kort

Lucretius richt in de eerste eeuw v.Chr zijn pijlen in het grote leerdicht De rerum natura op de idee dat de goden de wereld bestieren. Steunend op de filosofie van Epikouros ontwerpt hij een wereldbeeld waarin materiële krachten en toeval de loop der dingen bepalen. De religiekritiek die hieruit voortkomt verwerpt bovenal een overmatige vrees voor de goden.



En indien gij dit vasthoudt, ziet gij ook dat de natuur op zichzelve voortdurend in vrijheid leeft, zonder trotse despoten en alles uit eigen beweging zonder de Goden volvoert. Want wie - bij de heilige vrede, vrede in het rustige hart van de Goden, die leiden een leven, kalm en sereen! - wie van hen kan de onmeetlijke wereld regeren, wie met zijn hand kan de krachtige teugels der Diepte besturen, wie stelselmatig de hemel doen wentlen, de vruchtbare aarde rondom met vuur uit de aether verwarmen? En wie kan er altijd overal klaar staan om nu eens het duister te maken door wolken, heldere luchten door donder te schokken en dan weer de blixem in te doen slaan om dikwijls zijn eigen gebouwen te treffen, ja, en ook naar woestenijen te gaan om zijn schichten te werpen, die aan dezente, onschuldige mensen het leven benemen maar die de schuldigen sparen …?

Bron: vertaling door Aeg. W. Timmerman, in P.H. Schrijvers (red.), Lucretius. Over de natuur, Ambo/Athenaeum/Polak & Van Gennep, Baarn/Amsterdam 1984, 2.1090-1104.

Over Lucretius
Titus Lucretius Carus (99-55 v.Chr.) is de auteur van Over de aard der dingen (De rerum natura), een leerdicht van zes boeken waarin hij de natuurfilosofie van Epikouros uiteenzet voor een Romeins lezerspubliek. Over het leven van Lucretius is verder vrijwel niets bekend. Zijn leerdicht is echter een belangrijke bron voor onze kennis van de Epicureische filosofie en bovendien een vroeg meesterwerk van Latijnse poëzie. Zijn belang voor de religiekritiek in de Oudheid blijkt uit Lucretius’ eigen beschrijving van het doel van zijn werk: “u uit de knellende kluisters van ’t bijgeloof te verlossen” (artis religionum animum nodis exsolvere, Lucretius, Over de aard der dingen, 1.931-932).

Analyse
In de Platoonse en Stoïsche filosofie speelde de goddelijke voorzienigheid (pronoia, providentia) een belangrijke rol: god of de goden zijn verantwoordelijk voor de orde in het universum en deze goddelijke ordening is ook het fundament voor de morele orde. Lucretius keert zich tegen dit idee met de leer dat de wereld is ontstaan uit een reeks toevallige samenkomsten en botsingen van atomen. In de plaats van een chaotische materie die door de goddelijke ratio tot orde gebracht moet worden, plaatst Lucretius een natuur die zich geheel vrij ontwikkelt, onafhankelijk van enige goddelijke dominantie. Deze religiekritiek heeft ook een politieke dimensie: in de woorden van A. Schiesaro: “If Stoicism emerged as a suitable conceptual infrastructure for imperialism, Lucretius’ Epicureanism taught a lesson of individual salvation and retreat which ran directly counter (in theory at least) to the imperialist ambitions of Rome.” (Schiesaro 2007, 53).
De goden worden hier weliswaar niet ontkend, maar wel buitenspel gezet. Uit de argumentatie blijkt dat Lucretius hierbij een vrij traditionele, sterk antropomorfe opvatting van de goden voor ogen heeft. De goden genieten hun gelukkige leven met elkaar in de regionen tussen de werelden, zoals de goden van de Griekse mythologie bijeen waren op de Olympus. Ze kunnen niet overal tegelijk zijn om de wereld te regeren en donder en bliksem naar de aarde te slingeren.
In de laatste zin van het exemplum komt bovendien het oude thema van de theodicee aan de orde: het kwaad lijkt de mensen volstrekt toevallig te treffen; als daar goden achter zitten, handelen ze niet rechtvaardig. Volgens Lucretius zijn de goden wel rechtvaardig, en kunnen ze dus niet de oorzaak zijn van donder en bliksem (in boek 6 legt Lucretius uit hoe deze verschijnselen te verklaren zijn: ze zijn het gevolg van botsingen van atomen). Van Platoonse en Stoische filosofen (o.a. Seneca, Epictetus, Plotinus) zijn daarentegen verschillende verhandelingen Over de voorzienigheid (De providentia) overgeleverd waarin ze pogen te verklaren waarom dergelijk onheil wel te rijmen valt met een rechtvaardig goddelijk bestuur van de kosmos. Het is een thema dat tot op vandaag toe een belangrijke rol speelt in debatten over religie.

Oorspronkelijke tekst:
Quae bene cognita si teneas, natura videtur libera continuo, dominis privata superbis, ipsa sua per se sponte omnia dis agere expers. nam pro sancta deum tranquilla pectora pace quae placidum degunt aevom vitam que serenam, quis regere immensi summam, quis habere profundi indu manu validas potis est moderanter habenas, quis pariter caelos omnis convertere et omnis ignibus aetheriis terras suffire feracis, omnibus in ve locis esse omni tempore praesto, nubibus ut tenebras faciat caeli que serena concutiat sonitu, tum fulmina mittat et aedis saepe suas disturbet et in deserta recedens saeviat exercens telum, quod saepe nocentes praeterit exanimat que indignos in que merentes?
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki