De aarde als Moeder der goden (Lucretius)

In het kort

Lucretius dichtte in de eerste eeuw v.Chr. een groot werk om het wereldbeeld van de Griekse filosoof Epikouros te beschrijven. In dit werk is tevens een grondige religiekritiek opgenomen. Lucretius ontkent weliswaar het bestaan van de goden niet, maar meent dat deze wezens geen bemoeienis hebben met de wereld waarin wij leven en dat mensen dus ook niets van de goden te vrezen hebben.



Dit alles, hoe schoon en voortreflijk ’t ook is verzonnen, wijkt ver van de logische weg af der waarheid. Immers het hele geslacht van de Goden moet steeds van de hoogste vrede en ook van een eeuwig leven genieten, van óns zijn ver weg verwijderd, volkomen gescheiden, en zonder één enkle smart en zonder gevaren, op eigen krachten zich steunend heeft het van ons ook nimmer iets nodig; door onze verdiensten wordt het ook nimmer verzoend, door geen toornen wordt het getroffen… En wat de aarde betreft, zij ontbeert altijd ieder gevoelen, doch, omdat zij de oerelementen van talloze dingen in haar bezit heeft, vermag zij op allerlei wijzen ook vele dingen aan’t daglicht te brengen… Indien nu iemand zich voorneemt liever de zee Neptunus te noemen en ’t graan liever Ceres, vindt hij het beter om Bacchus’ naam te misbruiken veeleer dan de eigen naam van de vloeistof te noemen, laat óns hem dan toestaan om aan de aardkring de naam van Moeder der Goden te geven, mits hij maar oppast zijn ziel niet met bijgeloof te bevlekken.

Bron: vertaling door Aeg. W. Timmerman, in P.H. Schrijvers (red.), Lucretius. Over de natuur, Ambo/Athenaeum/Polak & Van Gennep, Baarn/Amsterdam 1984, 2.644-660.

Over Lucretius
Titus Lucretius Carus (99-55 v.Chr.) is de auteur van Over de aard der dingen (De rerum natura), een leerdicht van zes boeken waarin hij de natuurfilosofie van Epikouros uiteenzet voor een Romeins lezerspubliek. Over het leven van Lucretius is verder vrijwel niets bekend. Zijn leerdicht is echter een belangrijke bron voor onze kennis van de Epicureische filosofie en bovendien een vroeg meesterwerk van Latijnse poëzie. Zijn belang voor de religiekritiek in de Oudheid blijkt uit Lucretius’ eigen beschrijving van het doel van zijn werk: “u uit de knellende kluisters van ’t bijgeloof te verlossen” (artis religionum animum nodis exsolvere, Lucretius, Over de aard der dingen, 1.931-932).

Analyse
Voorafgaand aan dit citaat heeft Lucretius de cultus van Cybele beschreven, een Frygische Moeder-Aarde godin die ook in Rome werd vereerd (als Magna Mater, de Grote Moeder). In de processies ter ere van deze godin raken haar volgelingen (eunuchen en gewapende dansers) in extase. Lucretius benadrukt het angstwekkende hiervan: “Zwaarden flitsen vooruit, het signaal van de razende waanzin, / laten ondankbare zielen en ’t goddeloos hart van ’t gepeupel / rillen van angst voor de godlijke almacht der Hemelse Moeder.” (tela que praeportant, violenti signa furoris, / ingratos animos atque impia pectora volgi / conterrere metu quae possint numine divae. Lucretius, Over de aard der dingen, 2.621-623). Lucretius wil de mensen van deze angst bevrijden en laat dus zien dat de mythen en riten die met de cultus van Cybele verbonden zijn niet stroken met de ware rede (vera ratio). Deze toont aan dat mensen van de goden niets te vrezen hebben omdat ze volkomen gescheiden zijn van de mensen en van deze wereld. Opvallend is dat Lucretius vervolgens toch wel wil toestaan om de aarde Moeder der Goden te noemen, omdat de aarde daadwerkelijk heel de werkelijkheid voedt door haar atomen af te staan aan de zee, de lucht, de levende wezens. Toen de aarde nog jong was, werden de dieren rechtsstreeks uit de aarde geboren (Lucretius, Over de aard der dingen 5.772-877). Vandaar dat men de aarde wel Moeder mag noemen, net zoals ook de zee wel aangeduid wordt met de naam van de zeegod (Neptunus). Van fundamenteel belang is echter dat wie dat doet, zijn geest niet bezoedelt met schandelijke religio: bijgeloof, een onjuiste visie op de goden die angst meebrengt.

Oorspronkelijke tekst:
quae bene et eximie quamvis disposta ferantur, longe sunt tamen a vera ratione repulsa. omnis enim per se divom natura necessest
inmortali aevo summa cum pace fruatur semota ab nostris rebus seiuncta que longe; nam privata dolore omni, privata periclis, ipsa suis pollens opibus, nihil indiga nostri, nec bene promeritis capitur neque tangitur ira. terra quidem vero caret omni tempore sensu,
et quia multarum potitur primordia rerum, multa modis multis effert in lumina solis. hic siquis mare Neptunum Cererem que vocare
constituet fruges et Bacchi nomine abuti mavolt quam laticis proprium proferre vocamen, concedamus ut hic terrarum dictitet orbem
esse deum matrem, dum vera re tamen ipse religione animum turpi contingere parcat.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki