Lucretius

Naam
Titus Lucretius Carus
Pseudoniem
geen
Geboren
ca. 98 v.C. te Onbekend
Overleden
44 v.C. te Rome?


Titus Lucretius Carus is de auteur van Over de aard der dingen (De rerum natura), een leerdicht van zes boeken waarin hij de natuurfilosofie van Epikouros uiteenzet voor een Romeins lezerspubliek. Over het leven van Lucretius is verder vrijwel niets bekend. Zijn leerdicht is echter een belangrijke bron voor onze kennis van de Epicureische filosofie en bovendien een vroeg meesterwerk van Latijnse poëzie. Zijn belang voor de religiekritiek in de oudheid blijkt uit Lucretius’ eigen beschrijving van het doel van zijn werk: “u uit de knellende kluisters van ’t bijgeloof te verlossen” (artis religionum animum nodis exsolvere, Lucretius, Over de aard der dingen 1.931-932).

Filosofie

De basis van de natuurfilosofie van Epikouros en Lucretius is dat alle verschijnselen in de werkelijkheid terug te voeren zijn op atomen die door een lege ruimte bewegen. Er is een oneindig aantal atomen die in een oneindige ruimte naar beneden vallen. Door een toevallig optredende afwijking in hun koers komen ze in botsing. De atomen zijn er in een beperkt aantal verschillende vormen. Doordat atomen in verschillende samenstellingen zich aan elkaar verbinden ontstaan aarde, zee, en hemel met alles zich daarin bevindt. Ook de menselijke ziel bestaat uit atomen van een zeer fijn soort, die door het hele lichaam verspreidt zijn en aangestuurd worden vanuit het denkende deel van de ziel, de geest, die zich in de borstkas bevindt. Waarneming en kennis zijn mogelijk doordat objecten een continue stroom aan atomen uitzenden die de zintuigen binnendringen en daardoor ook de ziel beroeren. Deze leer van het atomisme is in veel opzichten ontleend aan Demokritos.

Goden

In tegenstelling tot Demokritos ontkennen Epikouros en diens volgelingen het bestaan van onvergankelijke goden niet. Mensen hebben immers een duidelijke (antropomorfe) voorstelling van goden. Deze laat zich het best verklaren als het product van afbeeldingen (eidola, simulacra) van een zeer fijne atoomsoort die in de slaap, wanneer de zintuigen in ruste zijn, direct inwerken op de geest. De afbeeldingen zijn afkomstig van wezens van een zo fijne soort atomen dat ze niet in een wereld kunnen bestaan (in de oneindige ruimte bestaan volgens de Epicureëers meerdere werelden), maar in de lege ruimte tussen werelden. Hier genieten ze een leven van volmaakte rust. Ze houden zich dan ook totaal niet bezig met wat zich op aarde afspeelt.

Natuurfilosofie als heilsboodschap

Lucretius presenteert de natuurfilosofie van Epikouros als een boodschap die de mens verlossing brengt: verlossing van de angst voor de goden en de angst voor de dood. Natuurverschijnselen als donder en bliksem zijn geen straffen van de goden, maar ontstaan door de toevallige botsingen van groepen atomen. Ook na de dood hoeft de mens geen lijden te vrezen: de atomen van ziel en lichaam vallen uit elkaar, zodat er geen bewustzijn meer overblijft. Omdat er geen hogere orde in de werkelijkheid zit, kan de mens zich het beste richten op dat wat hem of haar genot verschaft en pijn zoveel mogelijk vermijden. Dit is overigens geen aansporing tot een losbandig leven: “Doch als de mens als verstandige stuurman zijn leven wil richten, / dan is de kostlijkste rijkdom: met weinig tevreden te leven / want er is nimmer gebrek aan ’t geringe!” (quod siquis vera vitam ratione gubernet, / divitiae grandes homini sunt vivere parce / aequo animo; neque enim est umquam penuria parvi. Lucretius, Over de aard der dingen 5.1117-1119).

Religie

Lucretius’ religiekritiek richt zich met name op die godsbeelden die bij mensen angst veroorzaken. Vandaar dat hij Epikouros bezingt als een epische held, die de mensheid met zijn natuurfilosofie van de angst voor de goden bevrijd heeft (exemplum 1). Zijn verering van Epikouros neemt daarbij haast religieuze trekken aan. Epikouros’ natuurfilosofie biedt volgens Lucretius een visie op de goden die in overstemming is met de rede. De mythen en riten van de Cybelecultus hier niet mee en veroorzaken angst bij de mensen. Lucretius bekritiseert deze dan ook, al laat hij wel ruimte open om de aarde in overdrachtelijke zin Moeder van de Goden te noemen, omdat ze de wereld voedt met atomen (exemplum 2). Een belangrijk onderdeel van de Epicureïsche theologie is dat de goden onze wereld in het geheel niet kunnen beïnvloeden: de natuur ontwikkelt zich vrij van de heerschappij van de goden. Dit beargumenteert Lucretius in exemplum 3. Tenslotte schetst Lucretius in boek 5 van zijn leerdicht de evolutie van de natuur en van de menselijke beschaving. In die context komt hij ook over het ontstaan van religie te spreken (exemplum 4). Hij staat daarmee in een traditie die teruggaat op de sofisten uit het klassieke Athene (vgl. het Sisyfos fragment). Hij bekritiseert hier het uitvoeren van religieuze handelingen die gemotiveerd zijn door angst voor de goden. Dat betekent niet dat hij de cultus als zodanig afwijst (vgl. boek 6, 68-79). Wie de goden vereert, moet dat echter doen omdat het eerbiedwaardige wezens zijn, niet om ze gunstig te stemmen. Daarmee is Lucretius in lijn met de Epicureïsche traditie: volgens Philodemos, Epicureïsch filosoof en tijdgenoot van Lucretius, nam Epikouros zelf ook deel aan religieuze feesten en zelfs aan de mysteriegodsdiensten (Philodemos, Over Vroomheid, 1.28.785-810 [ed. Obbink]).

Voor verantwoording van de gebruikte bronnen en verdere bibliografie klik hier.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki