Les Pensées Philosophiques

Naam
Les Pensées Philosophiques
Auteur
Denis Diderot
Periode
Verlichting


De Pensées Philosophiques is een werk van Denis Diderot dat in 1746 anoniem verscheen. Het werk bestaat uit een verzameling filosofische aforismen met als rode draad Diderots opvattingen over religie. De Pensées getuigen van deïsme en bevatten daarnaast kritiek op atheïsme en bijgeloof. In het werk is de invloed van Shaftesbury duidelijk merkbaar (zie voor uitleg van zijn opvattingen over het onderscheid tussen religie en bijgeloof het algemene lemma over Diderot). In de lijn van Shaftesbury, bekritiseert Diderot in de Pensées het sektarische bijgeloof van de devoten, dat hij afzet tegen het Deïsme.


' Le Déiste seul, peut faire tête à l'athée. Le superstitieux n'est pas de sa force. Son Dieu n'est qu'un être d'imagination'
Vertaling : ‘Enkel de Deïst weet het hoofd te bieden aan de atheïst. De bijgelovige is geen partij voor hem. Zijn God is slechts een verbeelding’ (Denis Diderot. Les Pensées Philosophiques, 7).


Diderot voert vervolgens verschillende argumenten aan als bewijs dat zijn geloof in een deïstische God niet louter een verbeelding betreft. Het eerste argument dat hij geeft is de noodzaak van een eerste oorzaak. Dit argument gaat terug op Aristoteles die op grond van de clausule ex nihilo nihil fit een eerste onbewogen beweger veronderstelde.


‘C’est à la connoissance de la nature qu’il étoit réservé de faire de vrais Déistes. La seule découverte des germes a dissipé une des plus puissantes objections de l’Athéisme... La putréfaction seule ne produit rien d’organisé’ Vertaling: ‘De kennis van de natuur heeft het in zich de ware Deïst te scheppen. Enkel de ontdekking van bacteriën vormt reeds een van de meest krachtige argumenten tegen het Atheïsme.. Verrotting alleen brengt niets ordelijks voort’ (Denis Diderot. Les Pensées Philosophiques, 28).


Vervolgens kan de ordelijke en intelligente manier waarop de wereld in elkaar zit ook als argument voor het Deïsme dienen. Het bestaan van een dergelijke orde moet namelijk wijzen op het bestaan van een God die deze orde geschapen heeft. Dit argument gaat terug op de Timaeus van Plato waarin de Griekse wijsgeer stelt dat de kosmos vanwege zijn ordelijke karakter door een demiurgos, of handwerksman gemaakt moet zijn.


'L'intelligence d'un premier Être ne m'est-elle pas mieux démontrée dans la nature, par les ouvrages, que la faculté de penser dans un Philosophe par les écrits? ' Vertaling : ‘Wordt de intelligentie van een eerste Zijnde aanwezig in de natuur en in zijn werken me niet nog duidelijker aangetoond dan het vermogen om te denken van een Filosoof in zijn geschriften? ' (Denis Diderot. Les Pensées Philosophiques, 15).


Diderots deïstische God toont zich dus aan door middel van de natuur. Beide argumenten dienen tegen de achtergrond van zijn materialisme begrepen te worden. De strikte materialist is atheïstisch: het is onmogelijk om empirisch te bewijzen dat God de aarde op ordelijke wijze geschapen heeft. Echter,
God is empirisch aantoonbaar in de ordelijkheid van de natuur. Het is daarom volgens hem niet meer dan redelijk om Christen te zijn en om precies deze reden te geloven. Devoten daarentegen, als bijgelovigen, geloven om de verkeerde redenen:


'Dévots, je vous en avertis ; Je ne suis pas Chrétien parce que Saint-Augustin l'étoit ; mais je le suis, parce qu'il est raisonnable de l'être'
Vertaling: ‘Devoten, ik waarschuw u; Ik ben geen Christen omdat Augustinus het was ; maar ik ben Christen omdat het redelijk is om dit te zijn’ (Denis Diderot. Les Pensées Philosophiques, 47)


De motivatie van het geloof van de devoten is niet redelijk maar ontstaat vanuit een innerlijke passie. Het gaat om een emotionele ervaring die gestuurd wordt door het temperament van een persoon:


‘La Piété suivroit-elle aussi la loi de ce maudit tempérament? Hélas ! Comment en disconvenir? Son influence ne se remarque que trop sensiblement dans le même dévot: il voit selon qu’il est affecté, un Dieu vengeur ou misercordieux, les enfers ou les cieux ouverts: il tremble de frayeur, ou il brûle d’amour: c’est une fièvre qui a ses accès froids & chauds’ (Vertaling: Zou de vroomheid eveneens de wet van dit vervloekte temperament volgen? Helaas! Hoe zouden we dit kunnen ontkennen? De invloed van het temperament laat zich op gevoelige wijze bemerken in dezelfde devoot: naargelang hij is aangedaan, neemt hij een wrekende God of een barmhartige God waar, de hel of de open hemelen: hij trilt van angst, of hij brandt van verlangen: het is een griep met aanvallen van warmte en koelte’ (Denis Diderot. Les Pensées Philosophiques, 15).


Het passionele bijgeloof van deze devoten laat zich niet bewijzen met behulp van de bovenstaande twee redelijke, met Diderots materialisme verzoenbare argumenten, maar berust op een emotionele ervaring die gestuurd wordt door het temperament. We hebben bovendien reeds vermeld dat de God van een devoot slechts een verbeelding is volgens Diderot. Deze gedachte is nauw verbonden met de rol van het temperament in de ervaring van een religieuze openbaring. In navolging van het medisch discours van zijn tijd (zie voor de details hierover het lemma over ‘mystieke vrouwen’) was Diderot namelijk van mening dat emoties invloed konden hebben op de verbeeldingskracht van een persoon vanwege de impact die ze hebben op het zenuwstelsel van een individu. De religieuze ervaring van een devoot is dus niets meer dan een krachtige verbeelding die ontstaat vanuit een fysieke dispositie.

In de Pensées bekritiseert Diderot dus zowel atheïsme als bijgeloof. Vanuit Deïstisch standpunt verwerpt hij met behulp van twee rationele argumenten die het bestaan van God moeten bewijzen het ongeloof van de atheïst. Daarnaast bekritiseert hij de passionele religie van de devoten die evenmin redelijk te noemen is omdat ze berust op emotie.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki