Verzet tegen christelijke leraren (Julianus)

In het kort

De opkomst van het christendom in het Romeinse Rijk plaatste de politieke leiders en vooral de keizer voor een probleem. Is deze godsdienst verenigbaar met de culturele en godsdienstige tradities die voorheen de politieke gemeenschap bepaalde? Keizer Flavius Claudius Julianus (geboren in Constantinopel, 331/332 – gestorven nabij Samarra, 26 juni 363)probeerde in zijn korte regeringsperiode het tij te keren: het christendom kon niet langer staatsgodsdienst zijn, het keizerrijk behoefde de traditionele cultuur als grondslag .




Homerus en Hesiodus, Demosthenes, Herodotus en Thucydides, Isocrates en Lysias staan in hun brede eruditie onder leiding van de goden! Ze beschouwen zichzelf toch als ‘gewijd aan Hermes’ ofwel ‘gewijd aan de Muzen’? … Echter, als ze [leraren] denken dat deze schrijvers zich vergisten wat betreft de hoogst geëerde goden, laten ze zich dan naar de kerken van de Galileeërs begeven om Matteüs en Lucas te onderwijzen, aangezien jullie Galileeërs naar hen luisteren wanneer jullie voorschrijven dat mensen zich moeten weerhouden van verering in tempels.

Bron: Julianus, 'Decreet tegen christelijke leraren' (na 17 juni 362). Vertaling naar W.C. Wright, Julian, volume III, blzn.119-121.

Over keizer Julianus’ strijd tegen het christendom
Flavius Claudius Julianus (geboren in Constantinopel, 331/332 – gestorven nabij Samarra, 26 juni 363) was filosoof, schrijver en keizer van het Romeinse Rijk van 361 tot zijn dood in 363. Hij is de laatste monarch in de dynastie van Constantijn en tevens de laatste niet-christelijke keizer. Julianus wilde de institutionele macht die het christelijk geloof had opgebouwd onder Constantijn en diens zonen afbreken. Zijn doel was om de traditionele Romeinse religieuze gebruiken in ere te herstellen ten koste van het christendom, wat hem de bijnaam ‘Apostata’ (Afvallige) opleverde in christelijke kringen. Julianus produceerde in zijn leven veel geschriften waarvan er relatief veel zijn overgeleverd. Hierin reflecteert hij op zijn eigen geloofsovertuiging en bekritiseert hij het cynisme, maar vooral het christendom, de godsdienst die hij rond zijn twintigste verjaardag de rug toekeerde. De inzet van zijn kritiek is bovenal zijn inschatting dat het christendom in cultureel en educatief opzicht minderwaardig was aan wat de klassieke Romeinse elite gewend was. Het christendom was derhalve schadelijk voor de kwaliteit van het bestuur van het rijk. De leraren die de christelijke traditie willen onderwijzen, moeten dat maar in hun eigen kring doen, die van de Galileeërs, dat wil zeggen volgelingen van Jezus van Nazareth, een plaats in Galilea waar Christus is geboren en heeft gepredikt.

Analyse
Julianus propageert tijdens zijn korte regeerperiode weliswaar een zekere mate van godsdienstvrijheid, maar in zijn rol als hoogste gezaghebber in het Romeinse Rijk komt zijn verachting voor het christelijk geloof al vanaf het begin van zijn bewind naar voren. Hij probeert het christendom te ondermijnen zonder zich ronduit tot openlijke vervolging te hoeven keren. Een van de manieren waarop Julianus dit wil bewerkstelligen is door middel van hervormingen in het onderwijs. In de geciteerde brief beschrijft Julianus de normen en waarden die een docent volgens hem zou moeten hebben wil hij goed onderwijs kunnen aanbieden. Zo moeten leraren met volle overtuiging staan achter hetgeen ze doceren. Aanhangers van het christelijke geloof verwerpen echter het polytheïsme, het veelgodendom waarin de grote schrijvers van het klassieke curriculum geloofden. Volgens Julianus is het daarom ongepast dat christenen onderricht zouden mogen geven in de werken van heidense auteurs zoals Homeros en Herodotos. In plaats daarvan kunnen ze beter de evangeliën gaan doceren in de kerk, want het gedachtegoed van evangelisten zoals Lucas en Matteüs strookt in ieder geval wel met hun eigen opvattingen. Aangezien vrijwel het hele klassieke curriculum bestond uit pagane schrijvers, werden christelijke leraren door dit decreet ernstig beperkt in hun beroep, tenzij ze zich bekeerden tot het door Julianus bevorderde polytheïsme.
Over de precieze bedoelingen van dit decreet valt slechts te gissen. Sommige historici geloven dat Julianus de christenen geheel wilde uitsluiten van het onderwijs in de klassieken, zodat zij buiten de geleerde elite van het Romeinse Rijk zouden komen te staan. De keizer geeft echter in dezelfde brief aan dat christelijke studenten wel mogen blijven participeren in het onderwijs van heidense leraren; een goede opvoeding in de klassieken stond hen dus niet in de weg. Andere geschiedkundigen stellen dat de maatregel uiteindelijk wel zou werken: christelijke families zouden hun zonen weghouden bij de heidense scholen of de christelijke jongeren zouden dermate onder de invloed van hun pagane leermeesters komen te staan dat ze zichzelf tot het polytheïsme zouden bekeren. Daar staat tegenover dat lang niet iedere student een geloofscrisis hoefde door te maken tijdens zijn opleiding. Het is daarom ook goed mogelijk dat dit decreet voortkwam uit een gevoel van pure verontwaardiging over het feit dat christenen hun brood konden verdienen over de rug van de door Julianus zo gewaardeerde heidense klassieken.
Deze brief wordt vaak in verband gebracht met de wet die werd uitgevoerd op 17 juni 362, overgeleverd in het wetboek Codex Theodosianus (13.3.5). Volgens dit decreet moesten leraren (magistri en doctores) excelleren in “gedrag” (moribus) en vervolgens in “welsprekendheid” (facundia). Bovendien moesten ze op het gebied van deze zaken goedgekeurd worden door de keizer zelf, die daarvoor het desbetreffende stadsbestuur delegeerde. Deze wet is in tegenstelling tot het decreet tegen christelijke leraren niet gericht op een specifiek religieuze kwestie, maar beide decreten tonen de wil van Julianus om het onderwijsapparaat in het Romeinse Rijk vergaand te reguleren en te controleren. Het is niet ondenkbaar dat de keizer dit deed om de Helleense cultuur als officiële basis van het onderwijs in het Rijk te beschermen, te stimuleren en te reproduceren. We zien in ieder geval dat de religiekritiek van Julianus vooral voortkwam uit zijn bekommernis om de kwaliteit van het bestuur van de Romeinse maatschappij en niet uit zijn eigen religieuze overtuiging.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki