Revision [1943]

This is an old revision of Hobbes Leviathan 31 made by marinterpstra on 2016-05-02 12:26:15.

 

Schepper of koning? Over de macht van God (Thomas Hobbes)

In het kort

Thomas Hobbes (1588-1679) publiceerde in 1651 zijn politieke leer onder de titel Leviathan, waarin hij verdedigt dat vrede alleen gewaarborgd kan worden door een soeverein die zowel de wereldlijke als de geestelijke macht bezit. Vooral dat laatste brengt hem in conflict met vele theologen van zijn tijd, waardoor Hobbes gedwongen is zijn critici voor te zijn. Zijn religiekritiek brengt hem tot een duidelijke stellingname over wat wij wel en wat wij niet over God kunnen beweren.



"De Heer is koning – laat de aarde juichen", zegt de psalmist. En nogmaals: "De Heer is koning – volken, beef! Hij troont op de cherubs – aarde, sidder!" Of mensen nu willen of niet, zij zijn altijd en onherroepelijk onderworpen aan de macht van God. Door Gods bestaan of zijn voorzienigheid te ontkennen kunnen mensen zich wel van hun rust, maar niet van hun juk ontdoen. De macht van God strekt zich niet slechts uit tot mensen, maar ook tot dieren en planten en levenloze voorwerpen. Wanneer we zijn macht een koninkrijk noemen is dit dan ook niet meer dan beeldspraak. Want we kunnen iemand pas een heerser noemen, als hij zijn onderdanen regeert door de macht van zijn woord, als hij beloningen in het vooruitzicht stelt voor hen die hem gehoorzamen, en als hij hen die dit niet doen bedreigt met straffen. Levenloze voorwerpen en redeloze schepselen zijn daarom geen onderdanen van het koninkrijk God, want zij begrijpen de voorschriften die hij uitvaardigt niet. Atheïsten zijn het evenmin, of mensen die niet geloven dat God zich om het handelen van de mensheid bekommert, want zij erkennen zijn woord niet, hopen niet op zijn beloningen en zijn niet bang voor zijn dreigementen. Alleen de mensen die geloven dat God de wereld regeert, dat hij voorschriften heeft uitgevaardigd en de mensheid beloningen en straffen in het vooruitzicht heeft gesteld, zijn onderdanen van God. Alle overigen moeten we beschouwen als vijanden.

Bron: Thomas Hobbes, Leviathan, of de samenstelling, vorm en macht van een kerkelijke en wereldlijke staat (vertaling Wessel Krul), Boom, Amsterdam 2010, blzn.261-262 (hoofdstuk 31, paragraaf 2). [In het begin verwijst Hobbes naar Psalmen, 97:1 en 99:1.]

Over Hobbes’s religiekritiek
De Engelse Filosoof Thomas Hobbes (1588- 1679) wordt wel de vader van de moderne politieke filosofie genoemd. Zijn hoofdwerk Leviathan schreef hij naar aanleiding van de burgeroorlogen die woedde in Engeland, Ierland en Schotland. Zijn antwoord op deze bloedige anarchie was: stel een soevereine autoriteit aan die zowel het recht als de plicht heeft om alles te doen wat nodig zou zijn voor het welvaren van het gemenebest en daarbij alleen verantwoording schuldig is aan God. Hij wordt daarom ook beschouwd als één der voornaamste vertegenwoordigers van het zogenaamde absolutisme. Zijn kritische beschouwing van de godsdienst is allereerst ingegeven door zijn zorg voor de vrede: theologische scherpslijpers brachten mensen tot vaak gewelddadige botsingen. Alhoewel Hobbes door zijn tegenstanders in de zeventiende eeuw is neergezet als de godloochenaar bij uitstek, is dit beeld omstreden. De theologie van Hobbes was destijds schokkend omdat zijn godsbegrip de grond weghaalde onder elke mogelijkheid dat mensen of een instelling als de kerk God op aarde konden vertegenwoordigen. Hobbes meende dat een publieke rol voor de godsdienst slechts mogelijk is in de vorm van een rijkskerk onder gezag van de soeverein. Hobbes noemt de soeverein een plaatsvervanger van God op aarde (een ‘sterfelijke God’), maar zijn taak bestaat niet slechts in het vastleggen van een theologie, maar in het handhaven van de vrede en in het bijzonder het beëindigen van godsdiensttwisten.

Analyse
Het Godsbeeld van Hobbes heeft meerdere interessante aspecten. Het is zelfs in vele opzichten een zeer orthodox christelijke voorstelling waar Luther of Calvijn zich niet voor zouden schamen. Wanneer Hobbes bijvoorbeeld volhoudt dat het wezen van God onkenbaar is, dat er een groot verschil is tussen erkennen dat er een God is enerzijds en de onmogelijkheid van het kennen van wat God is anderzijds, dan is dat niet meer dan wat die beide hervormers ook beweren. Toch is Hobbes niet in elk opzicht zo orthodox, zeker niet als het gaat om zijn loochening van het bestaan van geestelijke zaken: voor hem bestaat er alleen een fysische werkelijkheid. In zijn metafysica is slechts ruimte voor lichamen die op elkaar inwerken. Stellen dat God onlichamelijk zou zijn is voor Hobbes hetzelfde als zeggen dat God niet bestaat. Ergo, God en zijn engelen bestaan (Leviathan, hoofdstuk 34, Elements of Law, I.11.5), en sinds ze bestaan zijn ze dus ook lichamelijk. Er is volgens hem niets in de Bijbel dat dit weerspreekt.
Het meest opvallende is echter de nadruk op Gods almacht. Wanneer Hobbes zijn licht doet schijnen over de ervaringen van Job vindt hij het geenszins bezwaarlijk de Schrift letterlijk te lezen en aldus te concluderen dat er inderdaad geen andere reden was voor de rampen die Job moest ondergaan behalve het feit dat God duidelijkheid wenst te scheppen omtrent de Goddelijke soevereiniteit; Jobs onschuld is niet relevant (Leviathan, Hoofdstuk 31). Het is diezelfde almacht die rechtvaardigt dat God wetten heeft uitgevaardigd, sommige daarvan voor alle mensen, de zogenaamde natuurwetten, anderen slechts voor zijn uitverkoren onderdanen met wie hij een verbond heeft gesloten, wetten die zijn terug te vinden in de Heilige Schrift. Sinds Hobbes geen ruimte laat voor wetten die op een of andere manier straffeloos genegeerd kunnen worden, zijn beide soorten wetten in de volle zin van het woord, wat wil zeggen dat er op het breken van deze wetten straffen staan en deze zullen worden voltrokken. Vanuit 'goddelijk perspectief' worden overtreders van de natuurwetten bestraft met bepaalde consequenties die op een lager niveau ook begrepen kunnen worden als de gevolgen van onverstandig handelen. Voorts hebben deze overtreders in ernstiger gevallen ook het Laatste Oordeel nog om naar uit te kijken. Maar er is meer: de natuurwet beveelt de mensen gehoorzaam te zijn aan hun soeverein, en als er geen is dan moeten ze er een vinden en zich eraan onderwerpen. Daarmee liggen alle positieve wetten die geldig zijn in deze of gene samenleving in het verlengde van de natuurwet die rechtvaardigt waarom men zich aan menselijke wetten zou moeten houden. Want voor Hobbes is elke wet vooreerst een bevel - en een bevel kan slechts een bevel zijn als het wordt bevolen door een persoon met de autoriteit of de bevoegdheid daartoe. Alleen daaraan ontleent een wet haar kracht. Welnu de meest fundamentele wetten zijn uitgevaardigd door God en daarom moeten ze worden gehoorzaamd. Sinds God het beste met Zijn schepping voorheeft - want dat staat immers in de Schrift - is God in levensbeschouwelijke zin de uiteindelijke garantie voor orde en rechtvaardigheid,.

Oorspronkelijke tekst:
“ God is King, let the Earth rejoyce”, saith the Psalmist. And again, “God is King though the nations be angry”; “And he that sitteth on the Cherubins, though the earth be moved”. Whether man will or not, they must be subject alwayes to the Divine power. By denying the existence of god, men may shake off their Ease, but not their Yoke. But to call this power of God, which extendeth it selfe not onely to Man, but also to Beasts and Plants, and bodies inanimate, by the name of Kingdome, is but a metaphoricall use of the word. For he onely is properly said to Raigne, that governs his Subjects, by his word, and by promise of Rewards to those that obey it, and by threatning them with Punishment that obey it not. Subjects therefore in the Kingdome of God, are not Bodies inanimate, nor creatures Irrationall; because they understand no Precepts as his; Nor Atheists; nor they that believe not that God has any care of the actions of mankind; because they acknowledge no Word for his, nor have hope of his rewards, or fear of his threatnings. They therefore that believe there is a god that governeth the world , and hath given Praecepts, and propounded Rewards, and Punishments to Mankind, are Gods Subjects; all the rest are to be understood as Enemies.” (Bron: Thomas Hobbes, Leviathan, xxxi [186-187])
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki