God toont zich niet in de wereld (Wittgenstein)

In het kort

In het hedendaagse debat over religie worden vaak wetenschappelijke argumenten gebruikt om religieuze opvattingen te weerleggen. Filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) ontkende dat wetenschappelijke argumenten überhaupt van toepassing kunnen zijn op religie. Kunnen we wel spreken over zaken die niet in deze wereld waarneembaar zijn? Zijn bijdrage aan het onderzoek over religiekritiek schuilt niet zozeer in zijn oordeel over religie maar in zijn analyse van het oordelen zelf, bijvoorbeeld in de kritiek van religie.



God does not reveal himself in the world.

Bron: Ludwig Wittgenstein, Tractatus Logicus Philosophicus, 6.432.

Over Ludwig Wittgensteins houding tot religie
Ludwig Wittgenstein (1889-1951) was een Oostenrijks-Britse filosoof die veel heeft bijgedragen aan de taalfilosofie en de grondslagen van de logica. Bekende werken van zijn hand zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1921/22) en Philosophische Untersuchungen (1953, postuum verschenen). Na zijn dood verschenen ook veel van zijn colleges, waaronder Lectures and Conversations on Aesthetics, Psychology and Religious Belief. In zijn vroege werk sprak Wittgenstein zich sterk uit over religie. Religie behoorde volgens hem tot het mystieke domein van waarden. Religie was daarom volgens de jonge Wittgenstein niet 'te zeggen', niet uit te spreken, het kon niet uitgedrukt worden in betekenisvolle proposities. In andere, al even Wittgensteiniaanse woorden: het religieuze kan niet gezegd worden, maar wel worden getoond. Daarmee wil Wittgenstein zeggen dat we geen ware, toetsbare uitspraken over het religieuze kunnen doen, dat het de reikwijdte van de betekenisvolle taal ontstijgt. Wel kunnen we er naar hinten, het religieuze toont zich op een manier die wellicht het best te vergelijken valt met de manier waarop poëzie betekenis poogt te geven aan de meest prangende behoeften en vraagstukken uit het menselijke leven.

Analyse
Bovenstaande uitspraak van de filosoof Wittgenstein is een voorbeeld van een stijl van religiekritiek die niet uit is op een oordeel over religie maar over de taal waarin men over religieuze zaken, zoals God, spreekt. Hij betwijfelt of men kan spreken over zaken die niet van deze wereld zijn. Hoe kun je wel spreken over religie? De jonge Wittgenstein acht het niet mogelijk om religie uit te drukken in proposities, zoals dat in de wetenschap wel kan. Alleen in iemands handelingen en gedrag kunnen religieuze opvattingen worden uitgedragen. Dit maakt religie tot een mystiek domein van waarden. Het religieuze kan niet gezegd worden, maar wel worden getoond. Daarmee wil Wittgenstein zeggen dat we geen ware, toetsbare uitspraken over het religieuze kunnen doen, dat het de reikwijdte van de betekenisvolle taal ontstijgt. De opvatting dat God zichzelf niet in de wereld openbaart heeft Wittgenstein ontwikkeld toen hij de waanzin van de Eerste Wereldoorlog meemaakte als frontsoldaat. Als jonge man had Wittgenstein juist een lichte weerzin tegen religie ontwikkeld, ondanks een klassieke katholieke opvoeding. Gedurende zijn periode als soldaat zocht hij naar houvast om zichzelf niet te verliezen. Zekerheid vond hij in een vorm van berusting in de wil van God, waarin hij ook de enige weg tot geluk zag. Berusting in de wil van God betekent voor Wittgenstein zoiets als een geduldige en kalme aanvaarding van de werkelijkheid, van de situatie waarin hij zich bevond (een grondhouding). In die situatie, hoe afschuwelijk die ook moge zijn, was het vervolgens zaak de juiste attitude (ethische houding) te hebben en juiste daden te verrichten. Wittgensteins houding ten opzichte van God is niet afwijzend. Wel is hij uiterst voorzichtig met het benoemen van het goddelijke, in zijn ogen kan het alleen getoond worden. Hiermee maakt hij van religie een praktische aangelegenheid. Wittgenstein is niet zozeer los van God, maar acht ons gezien de ontoereikende taal niet in staat tot enig adequaat concept van Hem.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki