Bloederige Christelijke kunst (Denis Diderot)

In het kort

Denis Diderot (1713-1784) was een van de belangrijke denkers in de Verlichting en werkte mee aan de Encyclopédie. Hij verzet zich scherp tegen de invloed van het christendom op de schilderkunst. Op vergelijkbare wijze als Plato zich verzet tegen de Griekse godenverhalen, zo protesteert Diderot tegen de christelijke beelden die schadelijk zijn voor een Verlichte levensstijl: ze maken de verkeerde gevoelens los bij de toeschouwer.



Als onze religie niet zo’n trieste en platte metafysica zou kennen, als onze schilders en onze beeldhouwers te vergelijken waren met de klassieke schilders en beeldhouwers (en dan bedoel ik de goede klassieke beeldhouwers, want ze hebben waarschijnlijk meer slechte gehad dan wij […]); als onze priesters geen domme huichelaars waren; als dat verschrikkelijke christendom niet gesticht was door moord en bloed; als de vreugden van ons paradijs zich niet beperkten tot onbeschroomde zaligmakende visioenen van weet ik veel wat, die niemand hoort en niemand begrijpt; als onze hel iets anders te bieden had dan afgronden vol vuur, afgrijselijke gotische demonen, gekrijs en tandengeknars, als onze schilderijen iets anders konden tonen dan afschrikwekkende taferelen, iemand die gevild is, een gehangene, een levend verbrande, iemand die gegrild is, een walgelijke slachting, dan zou u eens moeten zien wat er met onze schilders zou gebeuren.

Bron: Diderot. Essais sur la peinture, blz.67

Over Denis Diderot
Denis Diderot (1713-1784) was een Franse filosoof, essayist, kunstcriticus en romanschrijver. Hij is misschien echter nog wel het meest bekend geworden als de bedenker (samen met Jean Le Rond d’Alembert) van de Encyclopédie, die artikelen over diverse onderwerpen zou gaan bevatten. Aan dit grote project werkten ook andere bekende Verlichte denkers mee zoals Voltaire, Jean-Jacques Rousseau, Théophile de Bordeu en Le Baron d’Holbach. Religiekritiek is een belangrijk thema in Diderots werk. De kritiek evolueert naarmate Diderot ouder wordt: in zijn Pensées Philosophiques (1746) (Filosofische gedachten) toont Diderot zich nog aanhanger van het Deïsme, om daarna een opelijk atheïstische houding aan te nemen in zijn Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient (1749) (Brief over de blinden tot nut voor degenen die zien). Het bovenstaande fragment is afkomstig uit Diderots Essais sur la Peinture (Essais over de schilderkunst), een werk dat pas in 1795, na zijn dood gepubliceerd werd. In dit werk deelt hij enkele observaties die hij maakte bij de Salon de Peinture de 1765.

Analyse
Diderot bekritiseert in dit fragment de negatieve invloed die het christendom op de schilderkunst heeft volgens hem. Als tegenstander van het fanatisme van sommige christenen uit zijn tijd (zie ook het artikel ‘Fanatisme’ uit de Encyclopédie) verzet hij zich tegen de martelingen, oorlogen, misdaden en bijgelovige rituelen waarmee zij hun geloof tot uitdrukking brachten. De onderliggende religieuze opvattingen van de schilders vormen dus de kern van Diderots kritiek. In het bijzonder rekent hij af met visioenen: de enkele vrolijkere taferelen die de kunst geïnspireerd op het christendom kent, tonen visioenen die in het echte leven niet waargenomen kunnen worden. In zijn essay “Sur les femmes”, dat besproken zal worden in §7 van sectie B, “Mystieke Vrouwen”, wordt dit object van kritiek in Diderots werk verder uitgediept.
Diderot verheerlijkt de mythische taferelen van de heidense kunst, hoezeer ook schilders uit de klassieke Oudheid slagvelden, oorlogen en andere bloederige taferelen tonen. Het verschil zit hem echter in de motivatie van de schilder. Het afbeelden van tragische gebeurtenissen die een schilder ontroeren en inspireren vormen geen probleem, maar het fanatisme van Diderots tijdgenoten dat zijn gepassioneerde uitdrukking vindt op het doek wel. Diderots verheerlijking van paganistische kunst past goed binnen de retour au grand goût oftewel de terugkeer naar de sobere antieke stijl die Diderot en andere Verlichtingsfilosofen zoals Rousseau, d’Alembert en Voltaire proclameerden in de tweede helft van de achttiende eeuw als antwoord op de bombastische en soms lugubere barokkunst die toen in de mode was.

Oorspronkelijke tekst:
“Si notre religion n'étoit pas une triste et plate métaphysique; si nos peintres et nos statuaires étoient des hommes à comparer aux peintres et aux statuaires anciens: (j'entends les bons , car vraisemblablement ils en ont eu de mauvais, et plus que nous […]); si nos prêtres n'étoient pas de stupides bigots; si cet abominable christianisme ne s'étoit pas établi par le meurtre et par le sang; si les joies de notre paradis ne se réduisoient pas à une impertinente vision béatifîque de je ne sais quoi, qu'on ne comprend ni n'entend ; si notre enfer offroit autre chose que des gouffres de feux, des démons hideux et gothiques, des hurlemens et des grincemens de dents; si nos tableaux pouvoient être autre chose que des scènes d'atrocités, un écorché, un pendu, un rôti, un grillé, une dégoûtante boucherie. [..] vous veriez ce qu’il en seroit de nos peintres.” [Denis Diderot, Essais Sur la Peinture, Buisson. Paris 1795, blzn.57-59.]
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki