Kritiek op religie of op mensen? (David Hume en Geert Wilders)

In het kort

Wie? Rechtbank Amsterdam ({geboren}--{overleden})

Waar en wanneer?
Periode: Heden.
Context: rechtspraak

Hoe?
Medium: .
Positionering: X.
Stijlmiddel(en): X.
Genre: rechterlijke uitspraak.

Wat?
Voorwerp van kritiek: X.
Doel van de kritiek: X.
Grond(en) van kritiek: X.




Wanneer de ten laste gelegde uitlatingen ieder op zich worden bekeken, zowel naar de bewoordingen als in samenhang met de overige uitlatingen, geldt ook voor het merendeel van deze uitlatingen dat deze zien op de islam en de Koran. Nu verdachte zich in deze uitlatingen richt tegen het geloof en niet tegen mensen (moslims) kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat hij met deze uitlatingen aanzet tot haat tegen en/of discriminatie van moslims, zoals hem is ten laste gelegd.

Bron: Eindvonnis in zaak Wilders van de rechtbank Amsterdam, Parketnummer: 13/425046-09, Paragraaf: 4.3.2 Toetsing van de ten laste gelegde uitlatingen. Beschikbaar via http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001&keyword=wilders

Over de uitspraak van de rechtbank
De uitspraak van de rechtbank op 23 juni 2011 betekende vrijspraak voor Geert Wilders, leider van de Partij voor de Vrijheid, die ten laste werd gelegd dat hij zich "opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten moslims, wegens hun godsdienst". Wilders werd vrijgesproken omdat hij zich richt op de religie en niet op de personen die deze religie aanhangen. Personen in Nederland mag men niet discrimineren vanwege (bijvoorbeeld) hun godsdienst, en evenmin mag men personen in het openbaar aantasten in hun goede naam. De religie zelf is echter een zaak die op zich los staat van de mensen die de religie aanhangen. Religiekritiek hoeft dus niet de mensen te treffen die deze religie aanhangen. Sedert de afschaffing van het verbod en de strafbaarstelling van godslastering zijn ook kritische of kwetsende opvattingen over 'God' geoorloofd, maar wordt dit uitdrukkelijk onderscheiden van het beledigen of kwetsen van mensen die in God geloven.

Analyse
De status van religiekritiek is met deze ontwikkeling in belangrijke mate veranderd: God en zelfs de godsdienst in leer en praktische voorschriften zijn niet langer 'heilig', dat wil zeggen onaantastbaar voor kritiek. Ze staan niet langer buiten het menselijk oordeel. Integendeel, het Verlichtingsideaal dat alles onderwerp van kritische beschouwing mag zijn is hier erkend. De menselijke persoon daarentegen, althans diens integriteit en goede naam, lijkt de plaats van 'heiligdom' te hebben ingenomen. Mensen moeten in hun waarde worden gelaten, maar hun denkbeelden of praktijken kunnen onderwerp worden van maatschappelijke en politieke discussie.
Dat is lang anders geweest, in tijden en samenlevingen waarin God en godsdienst van elke tegenspraak of kritiek waren afgeschermd, en waarin tegenspraak en kritiek met harde hand werden bestreden. Maar ook een verlicht denker als David Hume lijkt aan te sluiten bij deze vrijwaring van godsdienst van kritiek. Hij geeft er echter een eigen draai aan. In zijn opvatting is de religie, en hij heeft dan allereerst het monotheïsme op het oog, helemaal niet verkeerd is, mits rationeel en redelijk bekeken en beleden. Het zijn de mensen die de religie corrumperen en verpesten. Het zijn de mensen die het historisch-positieve monotheïsme tot een onwaar theïsme maken. Het zijn de mensen die intolerant zijn en geweld plegen, niet de religie. De kritiek moet zich dus allereerst richten op de interpretatie die mensen geven van een godsdienstige leer en praktijk die op zich onaantastbaar gegeven is. Een heilige tekst, wat de inhoud ook moge wezen, is op zich geen enkele grond om bijvoorbeeld onverdraagzaam jegens andere mensen te zijn, laat staan geweld te gebruiken.
Toch lijkt de stap van Hume's benadering en de rechterlijke uitspraak niet zo groot, en staat Hume dichter bij de opvatting van de rechter dan op het eerste gezicht lijkt. Hij legt immers de verantwoordelijkheid voor de godsdienstbeoefening bij de mensen: zij zijn het die in hun eigen leven en in de samenleving de religie vorm en werkelijkheid geven. Maar zij moeten dat ook volgens Hume doen op grond van redelijkheid. De rede is maatgevend. Dat roept echter de vraag op of de godsdienst zelf, in leer en praktijk, de bron van deze redelijkheid is. Zou werkelijk alle religie op redelijke wijze kunnen worden uitgelegd, zelfs wanneer deze religie zelf niet oproept redelijk te zijn? Het rechtsbeginsel in de uitspraak is duidelijk: een persoon kan niet verdacht zijn, zolang hij of zij geen strafbare feiten heeft gepleegd. En het lijkt ook in het menselijk verkeer een goed beginsel uit te gaan van 'de onschuld' tot het tegendeel bewezen is. Het koppelen van godsdienst en persoon brengt een gevaar met zich mee: een hele groep verantwoordelijk te stellen voor de uitleg die sommigen aan die godsdienst geven. Niettemin is daarmee niet hat laatste woord gezegd en behoeft de grond van dit beginsel zeker nog nader onderzoek: kan men werkelijk de menselijke persoon en dat wat deze persoon vormt in zijn denken en handelen (zoals de godsdienst) van elkaar gescheiden worden?
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki