Afbeeldingen van de goden (Demokritos)

In het kort

Wie? Demokritos (ca. 460 v.C.--400/380/356 v.C.)

Waar en wanneer?
Periode: Oudheid.
Context: X

Hoe?
Medium: Boek.
Positionering: Extern.
Stijlmiddel(en): X.
Genre: Monoloog.

Wat?
Voorwerp van kritiek: Opvattingen.
Doel van de kritiek: Onderzoek (inzicht).
Grond(en) van kritiek: Verbeelding, Inbeelding.



Demokritos zegt dat bepaalde afbeeldingen op de mensen afkomen en dat sommige daarvan goedaardig zijn en andere kwaadaardig (daarom bad hij ook om weldoende afbeeldingen), en dat ze groot en reusachtig zijn en moeilijk te vernietigen maar niet onvernietigbaar, en dat ze de toekomst voor de mensen voorspellen wanneer ze gezien worden en stemmen laten horen. Daarom vermoedden de Ouden, toen ze daar een voorstelling van hadden gekregen, dat god bestaat, hoewel er naast die afbeeldingen geen god is met een onvernietigbare natuur.

Bron: Sextos Empeirikos, 'Tegen de wiskundigen', 9.19; DK 68 B 166. De vertaling is overgenomen uit R. Ferwerda, Demokritos. Stofjes in het zonlicht, Damon, Budel 2007, een recente Nederlandse vertaling van de fragmenten van en getuigenissen over Demokritos, voorafgegaan door een goede inleiding op zijn denken.]

Over Demokritos
Demokritos van Abdera (geb. 460 v.Chr., sterfdatum onzeker), was een zeer veelzijdig denker, die schreef over ethiek, wiskunde, literatuur, biologie en muziek. Het meest bekend is hij echter geworden om zijn natuurfilosofie, die hij van zijn leraar Leukippos overgenomen en uitgewerkt heeft. Het gaat om de leer van het atomisme: “alle dingen zijn atomen, en verder is er niets” (DK 68 A 57).
Demokritos verklaart hier het geloof in de goden vanuit zijn theorie van de waarneming, waarin ‘afbeeldingen’ (eidola) een centrale rol spelen. Dingen produceren afbeeldingen of ‘afstroomsels’ die maken, wanneer ze in aanraking komen met de zichtstraal die de ogen uitzenden, dat we de dingen zien. Met deze theorie verklaart hij ook droombeelden: omdat ’s nachts de afbeeldingen gemakkelijker door de lucht kunnen bewegen dan overdag, kunnen ’s nachts beelden in onze slapende ziel binnenkomen van mensen of dingen die zich in werkelijkheid ver van ons bevinden (Aristoteles, Over het voorspellen in de slaap, 464a5vv.). Deze afbeeldingen kunnen zelfs de slechtheid overbrengen van de mensen van wie ze afkomstig zijn en daardoor verwarring stichten in een mens (DK 68 A77b).

Analyse
Analoog aan deze droombeelden verklaart Demokritos ook het geloof in de goden (naast andere verklaringen, zoals de angst voor natuurverschijnselen als donder en bliksem). Wanneer mensen goden dachten te zien, zagen ze in werkelijkheid slechts grote afbeeldingen. Deze afbeeldingen kunnen zelfs op een bepaalde manier informatie over de toekomst bevatten. Maar we moeten uit die afbeeldingen niet afleiden dat er los daarvan een god bestaat met een onvergankelijke natuur.
Waar komen de eidola eigenlijk vandaan? Volgens Cicero (Over het wezen van de goden, 1.12.29) beschouwde Demokritos het wezen dat de afbeeldingen uitzond ook als god. Ook het hierboven weergegeven citaat, uit een werk van Sextos Empeirikos ontkent niet dat een soort godheid de oorsprong is van de afbeeldingen. Zowel Cicero als Sextos benadrukken dat het echter geen onvergankelijke goden zijn: ze bestaan net zozeer als mensen uit atomen en zijn dus vergankelijk.
Wil Demokritos het bestaan van goden nu wel of niet ontkennen? Er is niets wat erop wijst dat Demokritos de eidola niet als een soort godheden beschouwde. Ze kunnen immers ook de toekomst voorspellen en goed- of kwaadaardig zijn. Zijn theorie van de eidola probeert enkele kenmerkende eigenschappen van de traditionele religie, zoals antropomorfisme en goed- of kwaadaardige invloed op de mensen, te incorporeren in een naturalistische en materialistische theorie (Taylor 1999, 215). Maar het meest karakteristieke onderscheid tussen mensen en goden, hun onsterfelijkheid, ging daarbij verloren. Dat liet in de oudheid uiteindelijk toch de indruk over dat Demokritos “het goddelijke zo volledig elimineert dat er geen ruimte overblijft om erin te geloven” (Cicero, Over het wezen van de goden, 1.12.29: nonne deum omnino ita tollit ut nullam opinionem eius reliquam faciat). Dat was misschien niet helemaal Demokritos’ intentie; maar wel een haast onontkoombaar gevolg van zijn strikte naturalisme.

Oorspronkelijke tekst:
Δημόκριτος δὲ εἴδωλά τινά φησιν ἐμπελάζειν τοῖς ἀνθρώποις καὶ τούτων τὰ μὲν εἶναι ἀγαθοποιὰ τὰ δὲ κακοποιά• ἔνθεν καὶ εὔχετο εὐλόγχων τυχεῖν εἰδώλων. εἶναι δὲ ταῦτα μεγάλα τε καὶ ὑπερφυῆ καὶ δύσφθαρτα μέν, οὐκ ἄφθαρτα δέ, προσημαίνειν τε τὰ μέλλοντα τοῖς ἀνθρώποις θεωρούμενα καὶ φωνὰς ἀφιέντα. ὅθεν τούτων αὐτῶν φαντασίαν λαβόντες οἱ παλαιοὶ ὑπενόησαν εἶναι θεόν, μηδενὸς ἄλλου παρὰ ταῦτα ὄντος θεοῦ [τοῦ] ἄφθαρτον φύσιν ἔχοντος.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki