De Kerk als machtig en log instituut

In het kort

Wie? Gerard Mathot (1911--2000)

Waar en wanneer?
Periode: Wederopbouw na WO II.
Context: Katholiek Zuid-Limburg, Nederland

Hoe?
Medium: Uitspraak.
Positionering: Intern.
Stijlmiddel(en): X.
Genre: X.

Wat?
Voorwerp van kritiek: Kerk.
Doel van de kritiek: Vernieuwing.
Grond(en) van kritiek: Verwerping.



"Aad de Haas had in mijn ogen prachtige tekeningen gemaakt, waarin erg veel gevoel zat. Maar inderdaad, het waren niet de traditionele en onmiddellijk herkenbare Christus-figuren. Ik kan daar boos om worden als iemand zegt 'dat is Jezus niet'. Wat weten ze ervan? Ik ben zelf vaktheoloog, maar theologen zijn wel de allerlaatsten die kunst kunnen beoordelen. Actief zijn in kerk en kunst, het is een bijzonder opgave. Ik heb vaak innerlijke conflicten gehad over sommige opvattingen van de Kerk. Ik was het er vaak niet mee eens. In de Kerk zit veel goeds en moois, maar het instituut is zó groot, machtig en log. Tegen die macht heb ik altijd bezwaar gemaakt, vooral tegen de juridische inslag ervan".

Bron: Leo Ewals, Redemptorist en kunstenaar Gerard Mathot, Kemper Conseil Publishing, Voorburg 2003, blz.139, alwaar verwijzing naar De Gelderlander, 1986.

Over Gerard Mathot en Aad de Haas
Redemptorist pater Gerard Mathot was priester en kunstenaar. Jarenlang werkte hij, binnen en buiten de congregatie, als schilder en beeldhouwer. Naast zijn studie aan de kunstacademie studeerde hij kunstgeschiedenis en op latere leeftijd theologie. Samen met bevriend kunstenaar Aan de Haas (1920-1972) maakte hij het boekje In Jezus’ Lijden (1949), dat vanwege De Haas’ illustraties voor veel opschudding zorgde bij ambtsdragers in de katholieke kerk. Aad de Haas (1920-1972) schilderde een kruisweg voor de Sint Cunibertuskerk in Wahlwiller in 1949 dat door de kerk verboden werd. De reden voor dit verbod was dat het te modern werd bevonden door critici in kerk, journalistiek en kunst: het waren niet de traditionele en onmiddellijk herkenbare Christus-figuren. Mathot verdedigde de kunstenaar in deze polemiek.
Gerard Mathot had Aad de Haas in 1946 aanbevolen aan de pastoor Mullenders van Wahlwiller, toen laatstgenoemde een kunstenaar zocht die de kerk van zijn parochie zou beschilderen. De hetze die ontstond naar aanleiding van de schilderingen van De Haas, strekte zich uit tot Rome. Toen Mathots boekje In Jezus' Lijden, naar aanleiding van de illustraties van De Haas, op last van het Vaticaan uit de handel werd genomen, kon bisschop Lemmens van Roermond niet achterblijven en verbood ook de kruiswegstaties van Aad de Haas. 'Vanwege zijn grote-broer-in-Rome-complex wilde de bange Lemmens een voor zijn bazen welgevallige daad stellen', aldus De Haas. Op Witte Donderdag 1949, de avond voordat hij bevel van hogerhand kreeg om de kruiswegstaties uit de kerk te verwijderen schreef De Haas aan Mathot: "als je verdomme van het zweten in je clownspakkie, van het de paljas uithangen, bijna ben om zeep gegaan, en je ben blij tegen je vrienden eens gewoon te kunnen doen, dan wijzen ze gauw op je clownspakkie: derin! De hoofdreden waarom ik geen heilige wil wezen, is dat ik het zou verdommen als een duurbetaalde, bisschoppelijk goedgekeurde slungel, met een kop als een roze paasei in de hoek te staan van een volgens plan gebouwde kerk. Vanzelf ook goedgekeurd door het episcopaat met aan mijn voetjes St. Aad, patroon voor konkelzieken." Hij verwijst hier naar het gekonkel dat ontstond naar aanleiding van zijn kruiswegstaties. Dat 'persgedoe' stond hem niet aan, het enige wat hij wilde was werken. Het was hem niet te doen om de uiterlijke faam die hij hier bij de Kerk constateert en bekritiseert.

Analyse
Zowel De Haas als Mathot hadden kritiek op de manier waarop de kerk als instituut opereerde. 'In de Kerk zit veel goeds en moois, maar het instituut is zó groot, machtig en log. Tegen die macht heb ik altijd bezwaar gemaakt'. Hier benoemt Mathot twee kanten van het christelijk geloof: enerzijds de kerk als georganiseerd instituut en anderzijds de individuele invulling van de gelovigen. Dit laatste kan volgens hem niet van bovenaf worden ingevuld: de kerk als instituut kan niet oordelen over bijvoorbeeld kunstinhoudelijke zaken. Dit heeft hij zelf als geen ander ondervonden, hij was zowel kunstenaar als theoloog, wat geregeld voor innerlijke conflicten zorgde.
Hierboven uit Mathot zijn kritiek op het religieuze instituut, naar aanleiding van de kritiek van de kerk op de religieuze kunst van Aad de Haas. In deze kunst ontbrak de waardigheid van de heilige kunst. Mathot benoemt hier twee kanten van het christelijk geloof: enerzijds de kerk als georganiseerd instituut en anderzijds de individuele invulling van de gelovigen. Dit laatste kan volgens hem niet van bovenaf worden ingevuld: de kerk als instituut kan niet oordelen over bijvoorbeeld kunstinhoudelijke zaken. Dit heeft hij zelf als geen ander ondervonden: hij was zowel kunstenaar als theoloog, wat geregeld voor innerlijke conflicten zorgde.
De kerk veroordeelde de religieuze kunst van Aad de Haas in naam van God. Het werd beschouwd als niet waardig genoeg voor de kerkelijke kunst, niet passend bij Gods heiligheid. Deze veroordeling bekritiseert Gerard Mathot in het voorbeeld. De kerk, die aanvankelijk zijn veroordeling uitsprak, is nu het onderwerp van kritiek. Gaat het verwijt ‘Dat is Jezus niet’ dat De Haas naar zijn hoofd geslingerd kreeg, hier niet eerder op voor de Kerk? In de ogen van de kunstenaar wel: “Is het niet waar ... dat de kostelijke erfenis van Jezus van Nazareth vergeten is, die niet wilde dat er onder ons zou worden geregeerd, zoals de vorsten der aarde dat doen?”, schreef hij in 1962 aan Jezuïet Sebastiaan Tromp van het Heilig Officie in Rome ter verdediging van zijn kunst. Als de Kerk de erfenis van Jezus vergeten is, hoe kan De Haas dan verweten worden dat wat hij schildert Jezus niet is? Instituut en individu stonden met elkaar op gespannen voet.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki