Aangeklaagd wegens goddeloosheid (Anaxagoras)

In het kort

Religiekritiek is ook verbonden met de uitleg van godenverhalen of de uitleg van wat de goden aan mensen openbaren. Hoe te oordelen? Wat is de betekenis van deze verhalen of orakels? Een allegorische lezing stelt dat we te maken hebben met beeldspraak die verwijst naar verschijnselen in deze wereld. De goden staan dan voor zaken of gebeurtenissen die we in de natuur aantreffen. Deze uitleg werd echter zelf ook kritisch bekeken omdat het bestaan van de goden zo in twijfel werd getrokken. Dat laat het voorbeeld van Anaxagoras zien.



Sotion zegt in de Opeenvolging van filosofen dat hij [Anaxagoras] door Kleon werd aangeklaagd vanwege goddeloosheid, omdat hij gezegd had dat de zon een gloeiende steenmassa was; dat hij, toen zijn leerling Perikles hem verdedigd had, met vijf talenten boete en met verbanning bestraft werd.

Bron: Diogenes Laërtius, Leven en leer van beroemde filosofen, 2.12 (vert. R. Ferwerda & J. Eykman met kleine aanpassingen).

Over de aanklacht tegen Anaxagoras
Anaxagoras was één van de beschermelingen van Perikles, de politicus en generaal onder wiens leiding Athene haar ‘gouden eeuw’ beleefde. Perikles had echter ook tegenstanders, die in de jaren vóór het uitbreken van de Peloponnesische oorlog (431-404 v.Chr.) hun pijlen richten op Perikles’ vrienden: de beroemde beeldhouwer Phidias werd beschuldigd van het verduisteren van goud bestemd voor een beeld van Athena, en zo werd ook Anaxagoras beschuldigd van goddeloosheid. De tekst van het exemplum vermeldt Kleon als de aanklager, maar andere bronnen vermelden andere namen: waarschijnlijk hebben verschillende antieke geschiedschrijvers hun eigen gissingen gedaan over welke tegenstander van Perikles Anaxagoras van goddeloosheid beschuldigde (Mansfeld 1979, 83).

Analyse
Stellen dat de zon een gloeiende steenmassa is, zou vandaag niet gelden als religiekritiek. In het Athene van de vijfde eeuw v.Chr. echter wel, blijkens de aanklacht wegens goddeloosheid die het de natuurfilosoof Anaxagoras opleverde. De kritiek op zijn uitspraak komt neer op een veroordeling van materialisme: men mag goddelijke hemellichamen niet tot onbezielde materie reduceren. De kritiek vertegenwoordigt een breder wantrouwen van de Atheense bevolking tegen de nieuwe leer van filosofen en sofisten. De maatschappelijke impact van dit soort uitspraken zien we ook gereflecteerd in Plato’s verslag van de verdediging van Sokrates, die evenals Anaxagoras van goddeloosheid werd beschuldigd (Plato, Apologie 26D-E). In reactie op de aanklacht dat hij de goden niet erkent, zegt Sokrates tegen zijn aanklager Meletos: “Wonderlijke Meletos, hoe kun je dat nu zeggen! Erken ik dan niet, net als de andere mensen, dat de zon, en de maan ook, goden zijn?” Meletos antwoordt: “Bij Zeus, rechters, nee! Want hij zegt dat de zon een steen is, en de maan aarde.” Meletos appelleert aan wat voor de leden van de juryrechtbank een duidelijke tegenstrijdigheid moet zijn: wie zegt dat de zon een steen is, kan de zon niet als god beschouwen. Sokrates’ reactie is: “Denk je dat je Anaxagoras aan het aanklagen bent, beste Meletos? Kijk je zo neer op deze rechters en houd je hen voor zo ongeletterd dat ze niet zouden weten dat de boekrollen van Anaxagoras van Klazomenai vol zijn van dergelijke opvattingen?” Opvallend is, dat Sokrates niet rechtstreeks ontkent dat de zon van steen is (tenminste, niet in de Apologie van Plato; in Xenophon’s Herinneringen aan Socrates 4.7 weerlegt Sokrates Anaxagoras’ opvatting wel, maar dat is waarschijnlijk eerder een poging van Xenophon om Sokrates in een beter daglicht te stellen dan dat het de historische werkelijkheid weergeeft). Sokrates betoogt echter wel dat Meletos hem er niet kan van beschuldigen dat hij met dit soort opvattingen de Atheense jeugd bederft: dit halen ze wel uit de boeken van Anaxagoras, die voor een klein bedrag op de agora (het centrale marktplein) van Athene te koop zijn.

Oorspronkelijke tekst:
Σωτίων μὲν γάρ φησιν ἐν τῇ Διαδοχῇ τῶν φιλοσόφων ὑπὸ Κλέωνος αὐτὸν ἀσεβείας κριθῆναι, διότι τὸν ἥλιον μύδρον ἔλεγε διάπυρον· ἀπολογησαμένου δὲ ὑπὲρ αὐτοῦ Περικλέους τοῦ μαθητοῦ, πέντε ταλάντοις ζημιωθῆναι καὶ φυγαδευθῆναι.
There are no comments on this page.
Valid XHTML :: Valid CSS: :: Powered by WikkaWiki